Oefenen in samenleven

Het onderwijs heeft meer houvast nodig bij burgerschapsvorming. De overheid zou duidelijker kunnen aangeven welke resultaten men van scholen wil zien rond gedeelde waarden of onderwerpen als de Holocaust, terrorisme of seksuele diversiteit. Het publieke belang dat groepen elkaar blijven ontmoeten – op school of erbuiten – verdient ook aandacht. Net als het vergroten van zelfredzaamheid en maatschappelijke weerbaarheid.

Tekst Susan de Boer | Beeld Shutterstock

‘Samenleven wordt een belangrijk leerdoel,’ zegt Monique Turkenburg, programmaleider opgroeien en leren bij het Sociaal en Cultureel Planbureau SCP. ‘Gelet op demografische ontwikkelingen en migratiestromen zal de diversiteit in de samenleving steeds verder toenemen. En dat stelt nu eenmaal eisen aan hoe we met elkaar omgaan.’ Zo ziet inspecteur-generaal van het Onderwijs Monique Vogelzang het ook: ‘De school is de plek waar je samenleven in de praktijk kunt brengen.’

Toch komt de school als ontmoetingsplaats op de tocht te staan doordat mensen steeds meer in gescheiden werelden leven. Dat is een probleem, vindt Turkenburg. ‘Hoe meer mensen in homogene werelden leven, hoe minder begrip men voor elkaar heeft.’ Daarnaast kan de scheiding in werelden betekenen dat er globaal twee groepen ontstaan: mensen die alles goed voor zichzelf en hun kinderen kunnen regelen en mensen die dat minder goed kunnen. De verschillen tussen scholen nemen toe, stelt Vogelzang vast. ‘Het gezin waaruit een leerling komt, bepaalt steeds meer naar welke school een kind gaat. Hoogopgeleide ouders zijn meer bezig met de ontwikkeling van hun kind dan laagopgeleide en organiseren bij stagnatie sneller begeleiding. Wij vinden dat ieder kind maximale mogelijkheden moet krijgen om op ieder niveau te presteren. Dat willen scholen ook. Zij organiseren bijvoorbeeld steeds vaker zelf huiswerkbegeleiding, zodat een leerling minder afhankelijk is van wat de ouders kunnen bieden.’

Aandachtspunt
Burgerschapsvorming kan helpen mensen bij elkaar te brengen, maar onderzoek laat zien dat de Nederlandse scholen burgerschapsonderwijs nog onvoldoende weten vorm te geven. ‘Alle scholen doen iets aan burgerschapsvorming, maar de kaders zijn ruim,’ zegt Vogelzang. ‘De overheid kan meer houvast bieden door duidelijker aan te geven welke resultaten men van scholen wil zien rond gedeelde waarden of onderwerpen als de Holocaust, terrorisme en seksuele diversiteit. Het gaat bij onderwijs niet alleen om de inhoud, maar ook om het publieke belang dat groepen elkaar blijven ontmoeten. Dat is echt een aandachtspunt.’

Ook kansenongelijkheid verdient aandacht: deze lijkt verder toe te nemen doordat ‘stapelen’, het na elkaar volgen van voortgezet onderwijs, middelbaar beroepsonderwijs en hoger onderwijs, minder plaatsvindt. Turkenburg: ‘Mbo’ers hebben vaak schuldvrees en zien daarom af van doorstuderen. Tegelijk zijn de doorstromende mbo’ers minder succesvol geworden op het hbo. Dat komt onder meer doordat het hbo-instellingen lang niet altijd lukt om studenten die zijn vastgelopen, weer vlot te trekken. Ook heeft de inzet op belangrijke vakken als taal, rekenen en Engels nog niet het gewenste effect. Bovendien zijn er grote cultuurverschillen tussen mbo en hbo.’

Wel zoeken mbo- en hbo-opleidingen steeds meer naar samenwerking. Zij ontwikkelen bijvoorbeeld doorstroommodules. Daarbij doen zich soms knelpunten in de regelgeving voor. Vogelzang noemt als een voorbeeld de bevoegdheid van leraren om op verschillende niveaus les te mogen geven. ‘Vmbo’s werken graag met pabostudenten, maar dat kan eigenlijk niet. Wij hebben bij het departement gevraagd daar nog eens goed naar te kijken.’

Niet zonnig
Ze waarschuwt voor het effect van doorstroommodules en andere maatwerk­trajecten op de toegankelijkheid van het onderwijs. Vogelzang: ‘Centrale diplomering garandeert kwaliteit: zowel de leerling als de opleidingen weten welke niveau er is behaald en op welke vervolgopleiding de leerling toelaatbaar is. Als je dat zou loslaten, gaan scholen ongetwijfeld aan de poort selecteren en dat betekent voor sommige groepen een risico. Het maatschappelijk belang moet in dit geval voorrang krijgen op het individueel belang.’

Bij de discussie over het mbo speelt ook de toekomst van de arbeidsmarkt een rol. Die ziet er voor het middensegment niet zonnig uit, zegt Turkenburg. ‘Hier neemt de werkgelegenheid af, onder meer als gevolg van de robotisering, al verschilt het sterk per sector. Studenten van nu moeten zich voorbereiden op een onzekere arbeidsmarkt. Positief is dat veel mbo’ers zich ervan bewust zijn dat ze zich in de loop van hun leven zullen moeten bijscholen.’

In dit verband zou er ook meer aandacht moeten zijn voor interculturele vaardigheden. ‘Internationale stages kunnen veel bijdragen aan de ontwikkeling van studenten, ook in het mbo. Het werkveld richt zich per slot ook op het buitenland, zeker binnen de maakindustrie en het transport.’ De Inspectie heeft geen onderzoek gedaan naar de mate waarin scholen aandacht schenken aan internationalisering. Vogelzang: ‘Wel zien we dat scholen die zich ermee profileren, of tweetalig onderwijs aanbieden, in trek zijn.’

Zowel het leggen van een stevige kennisbasis als ‘leren leren’ is noodzakelijk voor toekomstgericht onderwijs. Daarnaast is het belangrijk dat het onderwijs de ‘collectieve weerbaarheid’ van de burgers helpt vergroten. Kennis, kunnen omgaan met verandering, flexibiliteit, een leven lang ontwikkelen, deel uitmaken van de samenleving. Die punten komen steeds terug.’ Turkenburg: ‘De bevolking veroudert, en we doen een beroep op de burger om in het eigen netwerk zorg te zoeken en te bieden. In combinatie met een onzekere arbeidsmarkt is dat een aandachtspunt. Het vergroten van zelfredzaamheid en maatschappelijke weerbaarheid is een opdracht voor het onderwijs van de toekomst.’ ■

gepubliceerd in Publiek Denken, special Kabinet aan Zet, oktober 2017