• Alles
  • Passend onderwijs
  • schoolleiders
  • leerplicht
  • vrouwelijke ondernemers
  • Thuiszitters
  • Basisonderwijs en sbo
  • Voortgezet onderwijs
  • (Voortgezet) speciaal onderwijs
  • MBO en roc

Buitenschools leren helpt kinderen vooruit

Buitenschools leren helpt kinderen vooruit. ‘Investeren in het normale leven Een zinvolle besteding van de vrije tijd en het ontwikkelen van niet-schoolse competenties is goed voor kinderen en voor de maatschappij, betogen onderwijs- en ontwikkelingsprofessionals. Kinderen maken kennis met verschillende facetten van het leven, doen diverse vaardigheden op en zijn bovendien van de straat. Ook kunnen professionals mogelijke problemen vroegtijdig signaleren en verhelpen. Maar tussen onderwijs, welzijn en zorg zitten nog genoeg schotten en er is meer onderzoek nodig naar de werkelijke effecten van niet-formeel leren. “In Nederland is jeugdbeleid ongeveer synoniem met jeugdzorg”, zegt René Clarijs, hoofdredacteur van het tijdschrift Jeugdbeleid, zelfstandig onderzoeker en hoogleraar Jeugdbeleid en Jeugdzorg. “Het is een merkwaardig stelstel. Jeugdzorg groeit al zeventig jaar. Vorig jaar was er een tekort van 605 miljoen euro. In veel Europese landen is jeugdzorg onderdeel van de gezondheidszorg. Jeugdbeleid betekent daar: investeren in de vrijetijdsbesteding van kinderen.” Stuiterende jochies In de uitgave Op naar een integrale aanpak, dat de AVS voorjaar 2018 gepubliceerde, houdt Clarijs een pleidooi voor een bestuurlijke transformatie waarbij de focus van het jeugdbeleid komt te liggen op de ontwikkeling van competenties en talenten van kinderen. “In Nederland investeert men niet in de ‘voorkant’ van het jeugdstelsel. Het gevolg is dat problemen pas laat aan het licht komen. Denk bijvoorbeeld aan kinderen die niet alleen lastig zijn op school, maar ook bij de voetbalclub worden weggestuurd. De trainers bij sportclubs zijn meestal vrijwilligers, die weten niet hoe ze moeten omgaan met stuiterende jochies. Dat betekent dat deze kinderen op straat gaan hangen en mogelijk in de Jeugdzorg terechtkomen.” Een oplossing zou zijn om jeugdprofessionals regelmatig langs de sportclubs te laten gaan om tips te geven aan trainers en om kinderen die in het nauw zitten te helpen. “Een kind uit een kwetsbaar gezin, dat zich zorgen maakt of zijn moeder thuis is als hij van voetballen komt, kan echt niet bij het bestuur van de club terecht. Die jeugdprofessional kan dan helpen, die kent de weg. Dat dit niet gebeurt, komt omdat de politiek geen publiek geld wil uittrekken voor kinderen met wie nog niks aan de hand is. Het gezin is heilig. En dat is prima zolang het goed gaat, maar een alleenstaande moeder met zeven kinderen op twaalf hoog krijgt het niet altijd voor elkaar.” Ook voor de ontwikkeling van niet-schoolse competenties, zoals leren samenwerken, initiatief en empathie tonen, is investeren in de vrije tijd van kinderen nuttig. “Kinderen hebben vijfduizend uur per jaar vrije tijd en dat laten we nu zomaar liggen als ontwikkeltijd. Die tijd kunnen ze op allerlei manieren invullen. Met sport en muziekles en dergelijke, maar ook, bijvoorbeeld, door mee te doen aan een buurtproject tegen zwerfafval. Daar zou best een maatschappelijke waardering tegenover mogen staan. Zeker voor kinderen die minder goed presteren in cognitieve vakken schept dit kansen. Een scholier zonder glanzende schoolloopbaan kan dan aan een potentiële werkgever laten zien wat hij of zij in zijn of haar mars heeft.” verschenen in Kader Primair, december 2018 Lees het hele artikel  

Schoolleiders willen meer erkenning

Schoolleiders willen meer erkenning en waardering, ook van de politiek “Maak onderscheid tussen de prestaties op de eindtoets en de kwaliteit van de school. Stop de stroom aan maatschappelijke thema’s richting basisschool. Zorg voor voldoende ondersteuning in de school. Doe iets aan de schotten tussen de ministeries OCW en VWS. En zie de onderwijsorganisatie als één geheel; het gaat niet alleen over leraren.” In een gesprek met onderwijspolitici uit de Tweede Kamer leggen schoolleiders uit het primair onderwijs hun concrete wensen op tafel. “Mensen hebben hoge verwachtingen van schoolleiders. Het personeel, de ouders, het bestuur, de onderwijsinspectie: aan iedereen leggen wij verantwoording af. En dat is goed. Ik zeg niet dat ik het zwaar heb, wel dat ik me ondergewaardeerd voel”, zegt een van de deelnemende schoolleiders. Samen met veertien collega’s uit onder meer Den Haag, Amsterdam, Woerden en Edam gaat zij op 10 oktober in gesprek met Tweede Kamerleden in Perscentrum Nieuwspoort te Den Haag. Dit initiatief van de AVS vindt plaats in het kader van de #wijschoolleiders-acties. Namens de Tweede Kamer nemen Lisa Westerveld van GroenLinks, Harm Beertema van de PVV en Kirsten van den Hul van de PvdA deel. Brandjes blussen “Nu er voor de leerkrachten een verbetering van de arbeidsvoorwaarden is binnengehaald, is er een disbalans ontstaan”, opent AVS-voorzitter Petra van Haren het gesprek. “Wat er voor de leraren bereikt is, is goed. Daar staan wij als schoolleiders achter. Maar dat mag niet alles zijn. De schoolleider heeft een eigen rol en verantwoordelijkheid.” Die taken en verantwoordelijkheden zijn breed. “Ik heb vandaag mijn school niet gezien”, vertelt een directeur van een eenpitter uit Breda. “Vanmorgen heb ik overlegd met het samenwerkingsverband Passend onderwijs en vanmiddag ben ik met de pabo in gesprek geweest over het leraarschap over tien jaar.” En dan is deze directeur nog met onderwijskundige en beleidsmatige zaken bezig geweest. “Ik heb de hele dag brandjes lopen blussen”, zegt een schoolleider uit Woerden. “Eigenlijk had ik met de intern begeleider klassenbezoeken willen afleggen. Maar aan onderwijskundig leiderschap kom ik niet toe.” Verschenen in Kader Primair, november 2018 Lees het hele artikel.

Een blik van buiten. Interim-directeur brengt rust en continuiteit

Een blik van buiten. Interim-directeur brengt rust en continuiteit Als een school geen directeur heeft, of de taak van de directeur wordt wel erg complex, dan kan een interim-directeur uitkomst bieden. Een ‘interim’ is niet goedkoop, maar levert naast continuïteit ook een frisse blik van buiten. Interim-directeur Dirk Bosch: “Ik weet dat ik goed werk moet leveren, want het kost de school best veel. Ik mag er geen zootje van maken.” “De directeur van onze locaties voor speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs ging weg, en hoewel we tijdig zijn gestart met de procedure voor een opvolger, lukte het ons niet de vacature in te vullen”, zegt Jan Zijp, directeur en bestuurder van de koepel Ronduit voor scholen voor openbaar primair onderwijs in Alkmaar. Ronduit omvat zeventien basisscholen, één school voor speciaal basisonderwijs en tien locaties voor speciaal onderwijs. “We zochten daarom een tijdelijke oplossing. Onderwijsadviesbureau B&T kon ons met Dirk Bosch een interim-directeur leveren die zelf afkomstig is uit het speciaal onderwijs. Het is belangrijk dat een directeur inhoudelijk kennis van zaken heeft, want het speciaal onderwijs heeft een heel eigen karakter. Er gebeurt veel, bijvoorbeeld rond kwaliteit en de samenwerkingsverbanden passend onderwijs.” SMART De opdracht voor de interim-directeur is strak omschreven. Zijp: “Zo hebben we gezegd dat we willen dat de teamsfeer en teamcultuur behouden blijven, dat het niveau van de leerkrachten en de ondersteuningscoördinatoren in orde is, we hebben gevraagd om structuur aan te brengen in de financiële stromen en we willen nieuw beleid ontwikkelen op onze locaties voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs. Over dat laatste willen we een advies. We hebben de doelen SMART geformuleerd, dus specifiek, meetbaar, acceptabel, realistisch en tijdgebonden, zodat we precies weten wat er wanneer gebeurd moet zijn en welke producten we verwachten.” Zijp is tevreden met de manier waarop Dirk Bosch de opdracht uitvoert. “Continuïteit is belangrijk en dat biedt deze interim-directeur. Hij brengt rust en heeft kennis van zaken. De teamleden en de andere directeuren in de koepel geven aan dat zijn expertise gewaardeerd wordt. Daarnaast biedt hij een blik van buiten en brengt hij nieuwe inzichten met zich mee.” Goed werk “Ik heb een duidelijke resultaatopdracht gekregen en daar ben ik mee aan de slag gegaan”, zegt Dirk Bosch, sinds drie maanden interim-directeur bij Ronduit. “Bij de telling van 1 oktober viel op, dat in verband met een aangepaste prognose van het aantal leerlingen, de formatie niet overeenstemt. Met andere woorden: er werken hier teveel mensen. Dat bespreek ik dan met het bestuur.” Daarnaast ziet Bosch dat het ondersteuningsbeleid op de verschillende locaties sterk leerlinggericht is. “De evaluatie op leerlingniveau doen ze echt goed. Maar op het gebied van evaluatie op groeps- en schoolniveau is er nog genoeg te doen. Wat nodig is, is een helicopterview. Het is belangrijk dat de school daaraan gaat werken, zeker met het oog op het nieuwe beleid, en dat bespreek ik ook met het bestuur.” Natuurlijk gaat Bosch niet zomaar mensen ontslaan. “Dat is vaak het beeld van de interimmer, dat die er vooral is om de bezem door een organisatie te halen. Maar zo gaan we het hier niet doen. We gaan wel een plan maken en kijken hoe we het personeelsbestand gefaseerd kunnen laten teruglopen. Er is veel vraag naar leraren, zeker in het speciaal onderwijs, dus we gaan geen mensen werkloos maken.” Een ander beeld dat bestaat van de interim-manager is dat het dure jongens zijn. “Dat is zo”, zegt Bosch openhartig. “Ik ben duurder dan een gewone directeur. Ik weet dat ik goed werk moet leveren, want het kost de school best veel. Ik mag er geen zootje van maken, ik moet kwaliteit leveren.” Een goede match Nu veel directeuren met pensioen gaan, hebben veel scholen moeite de directeursfunctie in te vullen. Ook is de werkdruk in het onderwijs hoog en spelen er soms ingewikkelde vraagstukken, waarbij de directeur extra ondersteuning nodig heeft. Daarom wordt er vaker dan pakweg tien jaar geleden een beroep gedaan op een interim-directeur. Dat merkt ook B&T. “Vooral in het speciaal en voortgezet speciaal onderwijs is het moeilijk om de juiste mensen te vinden”, zegt senior adviseur Nienke Pol. “De leerlingen van het speciaal onderwijs vormen een aparte en complexe doelgroep, en sinds de Wet Kwaliteit VSO is kwaliteitsbeleid een belangrijk thema voor dit type onderwijs.” De kwaliteit van de interim-manager is zeer belangrijk en daarom laat B&T interim-directeuren ondersteunen door een ‘schaduwmanager’. Nienke Pol is zo’n schaduwmanager. “Schaduwmanagement is een methode om kwaliteit te garanderen. Zie het als een soort keurmerk. Wij zijn bij het eerste contact met de opdrachtgever en de interim-directeur, en we bespreken tussentijds met het bestuur de voortgang.” Voor een interim-manager is het belangrijk dat ze niet alles alleen hoeven op te lossen. “Iedere school is weer anders, iedere context is anders”, zegt Pol. “Met een schaduwmanager kan de interim-directeur sparren, het is iemand die met je meedenkt over de manier waarop je een bepaald probleem aanpakt.” Pol heeft zelf een achtergrond in het (voortgezet) speciaal onderwijs. “Ik ken veel VSO-scholen en veel interim-managers, ik kan een goede match tussen school en directeur vinden. Daarnaast kan ik interimmers met elkaar in contact brengen als ze vergelijkbare problematiek tegenkomen. Interim-management kan een eenzame klus zijn en je komt soms complexe vraagstukken tegen.” Pol verwacht dat de interim-managers voor wie B&T bemiddelt, aan de bel trekken als het spannend wordt. “Ik hoef niet iedere week een rapport, maar ik wil wel in grote lijnen weten hoe een opdracht verloopt. De interim-managers zijn professioneel genoeg om te weten waar de risico’s zitten en zaken aan me voor te leggen als dat nodig is.” Pol vindt dat een goede interimmer meer doet dan op de winkel passen. “Een goede interim-directeur heeft verstand van zaken, kan feedback geven op alles wat zich op de school voordoet, en heeft een brede blik. Die blik van buiten is vaak interessant voor scholen en besturen.” zie ook https://www.vbent.org/publicaties/actueel/interim-directeur-brengt-rust-en-continuiteit/

De schoolleider houdt alle ballen in de lucht

De schoolleider houdt alle ballen inde lucht School- en jaarplannen schrijven, de onderwijsinspecteur te woord staan, vervanging regelen. Roosters maken, ouders spreken, leraren coachen. Begrotingen maken, zorgen voor goede ictfaciliteiten, keuzes maken in het curriculum. Overleggen met de gemeente, samenwerken met het schoolbestuur, zorg- en kinderopvangpartners. En soms ook een verbouwing begeleiden of de pers informeren. Een schoolleider kan maar beter een veelzijdig persoon zijn. Erkenning en waardering voor (adjunct-)directeuren blijft achter, vindt de AVS. Daarom zijn acties door en voor schoolleiders noodzakelijk. Uit een recente peiling van de AVS en uit andere onderzoeken blijkt dat er een schoolleiderstekort dreigt in het primair onderwijs. De gemiddelde leeftijd van de schoolleider is 55+ en aanwas is er nauwelijks. Een goede salariëring kan helpen de belangstelling voor en aantrekkelijkheid van het schoolleiderschap te vergroten. In de huidige cao-afspraken voor het primair onderwijs is niet voor alle functies één lijn getrokken in beloning. AVS-voorzitter Petra van Haren: “Het kan niet zo zijn dat een leidinggevende minder verdient dan een leerkracht, terwijl zijn verantwoordelijkheid veel groter is.” (zie factsheet met salarisvergelijking leidinggevenden en leraren primair onderwijs op www.avs.nl/factsheetsalarisvergelijking) Ook is niet altijd helder welke taakomschrijving hoort bij het begrip ‘schoolleider’. De leaflet schoolleider geeft een beeld! leaflet_schoolleider  

Meer maatwerk en samenwerking nodig. Alleenstaande minderjarige vluchtelingen

Regelmatig naar school gaan. Voor veel alleenstaande minderjarige vluchtelingen (amv-ers) is dat allesbehalve eenvoudig. Het lukt hen om uiteenlopende redenen niet elke dag op school te verschijnen en dus is het verzuim vaak problematisch. Dat tij moet gekeerd, want net als voor alle jongeren geldt ook voor hen dat hoe beter ze worden opgeleid, hoe beter hun positie vervolgens op de arbeidsmarkt. Goede – en tijdige – samenwerking tussen school, mentor, voogd, jeugdgezondheidszorg en leerplichtambtenaar  is een belangrijke voorwaarde voor een kansrijke aanpak. ‘Ze hebben een traumatische reis doorstaan. Eritrese vluchtelingen bijvoorbeeld zijn bang geweest om gearresteerd te worden door de militaire politie in eigen land bij hun poging Sudan te bereiken, in handen te vallen van mensenhandelaren terwijl ze proberen Libië te bereiken, en voor verdrinking. Als ze dan veilig in Nederland zijn, storten ze in. Ze worden depressief, onzeker, ze kampen met heimwee en verdriet’, vertelt Audrey Felter, leerplichtambtenaar in Amsterdam. Zij en haar collega Habtom Kidane zien dat minderjarige vluchtelingen zoveel problemen hebben dat de schoolgang erbij inschiet. Contact Naast een dramatische vluchtervaring speelt het grote verschil in cultuur tussen het herkomstland en Nederland een grote rol. Habtom Kidane, zelf van Eritrese afkomst, legt uit: ‘Eritrese jongeren zijn gewend om te werken en te zorgen voor hun broertjes en zusjes en soms ook hun ouders. Ze verwachten dat ze hier snel een baan krijgen en dan geld kunnen verdienen om naar huis te sturen. Maar eenmaal in Nederland blijkt dat ze hun ervaring als automonteur niet kunnen inzetten, dat ze Nederlands moeten leren en dat er nog veel meer hier totaal anders is dan in Eritrea.’ Voor de Syrische vluchtelingen geldt vaak dat zij een goede vooropleiding hebben gehad en verwachten in Nederland snel naar de universiteit te kunnen gaan. ‘Als dat niet lukt, dan zoeken ze soms hun heil buiten het onderwijssysteem’, zegt Felter. Kidane en Felter pleiten ervoor dat er meer maatwerk wordt ontwikkeld voor deze jongeren. Zo zouden ze na aankomst in Nederland een maand of twee de tijd moeten krijgen om stap voor stap de Nederlandse samenleving te leren kennen. ‘Wel de taal leren en burgerschapsvaardigheden bijbrengen, maar niet in een schoolse setting’, zegt Felter. ‘Daarnaast zou er meteen psychologische hulp moeten zijn.’ Kidane: ‘Eritrese jongeren zijn vaak praktisch ingesteld. Daar kun je gebruik van maken. Als ze bijvoorbeeld in een verzorgingshuis met maaltijdverzorging kunnen helpen, leren ze sneller Nederlands omdat daar ook Nederlanders zijn zonder migratie-achtergrond, ze leren koken, dat is handig als ze zelfstandig gaan wonen en ze doen sociale vaardigheden op. Dat zou de gemeente kunnen organiseren.’ Ook kan de communicatie tussen de verschillende betrokken instanties beter. Felter: ‘Het zou goed zijn als we in een eerder stadium al contact hebben met begeleiders, bijvoorbeeld op het moment dat een jongere bij Nidos is aangemeld. Nu komen de mentor van de wooneenheid en de voogd pas in beeld als een jongere al een tijdje verzuimt. Er is nu ook wel overleg met alle instanties, maar dat is naar mijn gevoel te weinig effectief.’ Maatwerk Een van de voogden van Nidos, de jeugdbeschermingsinstelling voor vluchtelingen, is Desiree Smits. ‘Jongeren die aankomen in een asielzoekerscentrum worden, nadat zij de algemene asielprocedure hebben doorlopen, zo snel mogelijk geplaatst in een woongroep of kamertraining. Als voogd onderhoud ik het contact met de jongere, de mentor van de woongroep en de mentor van de school en sta ik de jongere bij in de procedures.’ Het is vaak een weloverwogen besluit geweest om de jongere op reis te laten gaan. Smits: ‘Ze hebben dan een opdracht, ze moeten zorgen dat ze een verblijfsvergunning krijgen en hun familie kunnen laten overkomen. Dat nemen ze zeer serieus, de druk van de familie is groot.’ Omdat de asielprocedure is aangescherpt wordt het voor jonge asielzoekers lastiger om een vergunning te krijgen, merkt Smits. ‘We zien nu bij Eritreëers dat ze vaker in de Verlengde Asielprocedure komen of worden afgewezen. Belangrijke oorzaken van schoolverzuim zijn dan ook stress en onzekerheid.’ Om het schoolgaan van de jongeren positief te beïnvloeden, is er meer differentiatie nodig, vindt Smits. ‘Onze jongeren komen uit verschillende landen met een verschillende onderwijsachtergrond en ze hebben verschillende verwachtingen. Syriërs willen meestal zo snel mogelijk naar de universiteit. Eritreeërs kennen het hele schoolsysteem niet en zijn vaak laaggeletterd of analfabeet. Maar ze komen in dezelfde ISK (Internationale Schakel Klas, red.) om Nederlands te leren. Syriërs vinden dat vaak frustrerend, die voelen zich niet op waarde geschat en als dan ook de gezinshereniging niet opschiet, kunnen ze hun motivatie verliezen. Voor Eritreeërs gaat de school te snel, ze snappen niet wat er van ze verwacht wordt, en vallen daarom uit. Wat we missen is maatwerk.’ Ook de rol van de ouders is belangrijk. ‘Onze jongeren verblijven weliswaar zonder ouders in Nederland, maar in hun dagelijks leven heeft het achtergebleven netwerk nog steeds een plaats. Vanuit Nidos proberen we ouders van jongeren actief te betrekken bij het  verblijf van hun kinderen hier. Zo kunnen ouders hen stimuleren naar school te gaan. Syrische kinderen hebben vaak zeer regelmatig contact met ouders, Eritreeërs meestal niet. We zien dat het helpt als wij contact hebben met de ouders.’ Een succesvolle vorm van differentiatie is een combinatie van leer-werkervaringen. Hiervoor zijn stageplaatsen nodig. ‘Hier in Tilburg is een Afghaans restaurant, dat wordt gerund door een familie die zelf is gevlucht. Zij verzorgen veel stageplekken voor ons. Ze fungeren als rolmodel en laten zien dat het belangrijk is om een diploma te hebben. En meer divers personeel op de scholen zou, denk ik, ook helpen.’ Netwerk verbreden ‘Sommige jongeren vertonen echt problematisch verzuim’, zegt Ad Raaijmakers, teamcoördinator bij Sterk Huis, de opvangorganisatie voor onder meer jonge vluchtelingen. Alleenstaande minderjarige vluchtelingen komen vaak terecht in een Kleinschalige Wooneenheid, een eengezinswoning waar plek is voor vier jongeren. Deze jongeren moeten behoorlijk zelfstandig zijn, want per dag is maar ongeveer drieënhalf uur een mentor aanwezig. ‘Vooral Eritrese vluchtelingen baren ons zorgen. De Syrische jongeren zijn schoolgang gewend en ze zijn gemotiveerd en ambitieus. Eritrese jongeren komen uit een heel

Visies met lef

Visies met lef Hoe ziet het primair onderwijs eruit in 2030? Dat vroeg de AVS in een ledenpeiling rond een van de lerarenstakingen. Want naast betere salarissen en minder werkdruk – die beslist ook nodig zijn! – is het voor leidinggevenden in het onderwijs belangrijk om een visie neer te zetten. Een visie met lef. Aan visie geen gebrek onder leidinggevenden in het onderwijs. De AVS ontving maar liefst 72 visies op de toekomst van het onderwijs. Daarin zijn een paar duidelijke trends te ontwaren. Zo voorziet een groot deel van de schoolleiders dat het eigenaarschap van het leerproces in de toekomst bij de leerlingen zelf ligt. Het leerstofjaarklassensysteem zal verdwijnen en daarvoor in de plaats komt gepersonaliseerd leren. Natuurlijk wordt daar moderne technologie voor ingezet. Opvallend is dat naast ict-vaardigheden – die in 2030 vanzelfsprekend in het curriculum zijn opgenomen – er in de toekomst veel aandacht zal gaan naar zaken als talentontwikkeling en persoons- en burgerschapsvorming. Doorlopende leerlijnen zijn in 2030 vanzelfsprekend. Verder zien veel leidinggevenden de vorming van een integraal kindcentrum als dé manier om een breed aanbod aan onderwijs- en andere activiteiten te kunnen realiseren, zijn ouders in de toekomst nog meer betrokken bij het onderwijs, zijn de schooltijden verruimd en kunnen vakanties flexibel worden ingepland. En natuurlijk is de school in 2030 inclusief. Inclusiviteit centraal “Inclusiviteit zou centraal moeten staan. Wat heeft dit kind nodig en wat moet ik daar als leerkracht, intern begeleider of directeur voor doen? We moeten werken aan een inclusieve mindset en denken in mogelijkheden”, schrijft Johan Vroegindeweij, directeur van samenwerkingsverband Unita in de regio Gooi en Vechtstreek in zijn visie. “Een inclusieve maatschappij begint bij een inclusieve school”, zegt hij. “We doen nu soms of kinderen een soort treintje vormen en als we de laatste wagon te traag vinden, koppelen we die af. Ik wil dat we die laatste wagon erbij houden in ons denken en handelen. Want als de traagste is afgekoppeld, is een andere wagon de traagste.” De kinderen in de gemeenten Blaricum, Eemnes, Gooise Meren, Hilversum, Huizen, Laren, Naarden en Wijdemeren gaan dan ook als het even kan naar het reguliere basisonderwijs. Met een ‘inclusieve mindset’ en ‘denken in mogelijk­heden’ bedoelt Vroegindeweij dat er een bredere kijk op onderwijs en zorg nodig is. “We moeten over onze grenzen heen kijken en ons afvragen wat we wél kunnen. Wij hebben met gemeenten, zorgsectoren en schoolbesturen recent een inspiratiebijeenkomst gehouden om gezamenlijk te benoemen aan welke items we willen werken. We willen van elkaar weten wat we doen, zodat we snel kunnen schakelen. Neem een leerling die dat in groep 4 nog niet zindelijk is. Wat is hier aan de hand? Misschien is er specialistische hulp nodig om ouders te helpen dit kind zindelijk te maken, misschien is er een medisch probleem of een ontwikkelingsstoornis. Maar we willen dit kind ook op de reguliere school hebben en dat kan door zorgtaken te verdelen. Die mindset bedoel ik. Denk in mogelijkheden en spreid de taken over leerkracht, ouders en zorgprofessional.” Leren leren Bea Vos, schoolleider van basisschool De Nieuwe Link, onderdeel van Filios scholengroep in Oss, vindt dat het onderwijs van de toekomst vooral gericht moet zijn op het proces van het leren. Zij schrijft: “Door inspanning kun je jezelf verbeteren. We moeten onze leerlingen een kritische, vragende houding bijbrengen.” Op basisschool De Nieuwe Link stelt de leerkracht van de bovenbouw aan het begin van ieder schooljaar samen met het kind en de ouders het leerdoel en het persoonlijke doel vast. De school zorgt voor goed onderwijs dat aansluit op het vervolgonderwijs en dat leerlingen uitdaagt hun talenten te ontwikkelen. “We willen dat de leerlingen leren metadenken. Ze moeten in de onderbouw de toolsleren waarmee ze in de bovenbouw opdrachten kunnen aanpakken”, zegt Vos. “Denk bijvoorbeeld aan het maken van een mindmap.” Methodes worden steeds minder belangrijk in het leerproces. “De leerstoflijnen zijn belangrijk, niet de methode”, zegt ze. “Leerkrachten hebben kennis van de leerstoflijnen en van de manier waarop kinderen leren. Leerkrachten gaan zichzelf meer zien als coach. Ze stimuleren leerlingen in hun denken door de juiste vragen te stellen. De zone van naaste ontwikkeling is daarbij een waardevol concept. In het kleuteronderwijs is dat al heel lang gangbaar, in de andere bouwen behoeft dit doorontwikkeling. Ook concepten als een betekenisvolle context en een rijke leeromgeving kunnen verder doorontwikkeld worden.” Om te kunnen leren is het belangrijk dat fouten maken mag, zelfs moet. “Een dag geen fouten gemaakt, is een dag niet geleerd”, zegt Vos. “Alle kinderen hebben uitdaging nodig om te leren leren. Ze moeten zich kunnen vastbijten in een probleem en ervaren dat ze iets nog niet kunnen.” Breed aanbod in IKC De omgeving van de school – de wijk, ouders, sport-, muziek- en andere verenigingen – speelt een belangrijke rol in de toekomstvisie van Bart Caris, directeur van IKC Leuken. In dit vorig jaar geopende integrale kindcentrum zijn naast een basisschool een dagopvang voor kinderen tot 4 jaar en buitenschoolse opvang gehuisvest. Caris schrijft in zijn visie: “In 2030 werken professionals, ouders en kinderen samen. Dit kan niet anders dan in de vorm van een integraal kindcentrum, waar kinderen een breed aanbod van onderwijs en andere activiteiten krijgen, gedurende een langere dag. Kinderen ontwikkelen zich niet alleen op school, maar ook op sportvelden, in een kunstcentrum of bij andere IKC’s.” Samenwerking met de organisaties in de wijk is vanzelfsprekend en ouders spelen ook nu al een grote rol. Caris: “Bij ons geven ouders soms gastlessen, bijvoorbeeld over gezond gedrag. Ook is er een ouderklankbordgroep, waarin we sparren we over ideeën om het onderwijs en de opvang te verbeteren.” Als schoolleider geeft Caris leiding aan zowel de leerkrachten als de pedagogisch medewerkers van de buitenschoolse opvang. “Samen met de assistent-leidinggevende van de opvang heb ik de leergang Directeur IKC* gevolgd bij het AVS Centrum Educatief Leiderschap”, vertelt hij. “Ik deel ook mijn kantoor met deze assistent-leidinggevende. In het begin was het wennen, maar langzamerhand groeien we naar elkaar toe. Doordat we over en weer bij elkaars teams over ons werk hebben gepraat, is