• Alles
  • Passend onderwijs
  • schoolleiders
  • Basisonderwijs en sbo
  • Voortgezet onderwijs
  • (Voortgezet) speciaal onderwijs
  • MBO en roc
  • Schoolbesturen

Relatie schoolleider en schoolbestuurder

‘Het mag schuren, maar eerlijkheid en gelijkwaardigheid zijn belangrijk’ Een goede relatie tussen schoolleider en bestuurder is belangrijk voor de onderwijskwaliteit, blijkt steeds opnieuw uit wetenschappelijk onderzoek. Maar hoe ziet zo’n goede relatie eruit? Kader Primair gaat erover in gesprek met schoolleider Winet Roels van basisschool Dr. Landman in Helvoirt en haar bestuurder Marleen Huisman van de Stichting Katholiek Onderwijs Haaren. De relatie tussen bestuurder en schoolleider doet ertoe voor de kwaliteit van het onderwijs. Onderzoek naar die relatie laat zien dat bestuurders van goede scholen bouwen aan onderling vertrouwen en aan een gedeelde visie bij schoolleiders en stafmedewerkers. In Helvoirt werken de schoolleiders van basisscholen de Klim-op, Dr. Landman, Franciscus en Willibrordus intensief samen, met elkaar en met het bestuur. Wat is belangrijk in de relatie tussen schoolleider en bestuurder? Schoolleider Winet Roels: “Zes jaar geleden werd ik locatiemanager van een van de scholen van SKOH, Stichting Katholiek Onderwijs Haaren. Marleen Huisman was destijds nog bovenschools directeur. Wat ik in de samenwerking ervoer was eerlijkheid, directheid, openheid, autonomie en gelijkwaardigheid. Dat zijn belangrijke waarden voor mij en het is belangrijk dat het bestuur die waarden deelt.” Bestuurder Marleen Huisman: “Om het team van deze school verder te versterken, was het nodig dat er iemand kwam die meer verantwoordelijkheid bij de leerkrachten wilde leggen. De vorige schoolleider was sterk gericht op het welbevinden van mensen en het team was eraan gewend geraakt dat er iemand voor hen zorgde. Dat wilden we loslaten.” Roels: “Professionaliteit en autonomie zijn belangrijk in relaties. Ook in de relatie met de leerkrachten. Als een teamlid bij mij komt met een probleem, draag ik niet direct oplossingen aan. Ze moeten zelf een antwoord vinden.” Huisman: “De eerste tijd kwamen daar vragen over. Met de schoolleiders hebben we gepraat over manieren waarop we de autonomie en het probleemoplossend ­vermogen van leerkrachten kunnen versterken. Iedere directeur heeft een eigen stijl, we kunnen elkaar spiegelen en van elkaar leren.” Hoe is het bestuur van SKOH ingericht? Huisman: “Sinds januari van dit jaar ben ik uitvoerend bestuurder en verantwoordelijk voor alles. De lijntjes tussen de schoolleiders en mij zijn kort. Ieder schooljaar maken we met elkaar een A3 waarop de ‘succesbepalende factoren’ staan, de doelen waar we voor willen gaan. Dat is een gezamenlijke focus, met ruimte voor eigen schoolontwikkeling. Gedurende het lopende jaar maken we een lijstje voor het jaar daarop. Samen prioriteren en ons nieuwe jaarplan ontwikkelen helpt om die gezamenlijke focus te bewaken. Als bestuurder heb ik daarnaast te maken met een Raad van Beheer, die bestaat uit ouders. Met hen vergader ik elke maand. De Raad van Beheer kijkt en denkt mee over wat we nodig hebben. Het zijn mensen met verschillende expertises, die waardevolle feedback geven. Twee keer per jaar is er een vergadering van de Raad van Beheer en de directeuren samen.” Hoe ziet de rol van de bestuurder er in de praktijk uit? Huisman: “Als bestuurder wil ik dienstbaar zijn. Gezamenlijk nemen we verantwoordelijkheid voor het geheel in het directeurenoverleg. Daarnaast heeft iedere directeur eigen speerpunten. Ik ondersteun hen daarbij, help ze bedenken wat hun volgende stap kan zijn. Ik wil dat mensen zich vanuit hun kracht verder ontwikkelen, ook als dat betekent dat schoolleiders vertrekken. Daarnaast ondersteun ik ook de intern begeleiders; ik woon bijvoorbeeld hun overleg bij. Ik ben dan niet ­bepalend, wel kijkend en luisterend.” Roels: “We voeren ook samen de voortgangsgesprekken met de ib’ers en de adjuncten.” Huisman: “Mobiliteit moet je nooit opleggen. Ik wilde bijvoorbeeld graag dat een van de ib’ers op een andere school ging werken. ‘Maar ik ben hier nog niet klaar’, zei ze. Ik help haar los te komen van de school, door een visioen te schetsen van wat er mogelijk is. Nu is ze overgestapt en ze is er blij mee. Ze had ook de keuze kunnen maken toch op de ‘oude’ school te blijven. Door het te laten zien, door het te begeleiden, is ze overgestapt. Dat Winet eveneens van de ene school naar de andere is gegaan, geeft leerkrachten vertrouwen om ook zo’n stap te maken.” Hoe ‘bovenschools’ is de blik van de schoolleiders van SKOH? Hoe werken de scholen samen en hoe gaat het als één school bijvoorbeeld om meer geld vraagt? Roels: “Ik kijk natuurlijk naar wat deze teamleden nodig hebben, maar ik kijk ook bovenschools. Toen we startten met de nieuwe organisatievorm in deze stichting, hebben de vier schoolleiders om de week overlegd over dagelijkse dingen en zaken waar we tegenaan liepen. We draaiden een dagje met elkaar mee om te kijken hoe de andere scholen reilen en zeilen en gaven elkaar feedback. We hebben ook ‘maatjeswerk’, waarbij je bijvoorbeeld samen de begroting doorneemt voor het nieuwe schooljaar. We weten daardoor goed hoe het op alle scholen gaat.” Huisman: “We hebben samen een traject gevolgd over ongewoon goed vergaderen, over de manier waarop je creatief denken kunt stimuleren en ervoor zorgt dat iedereen de ruimte krijgt. Daarbij doet ook het middenmanagement mee. Want zoals ik autonomie geef aan de schoolleiders, zo leggen de schoolleiders dit weer bij de leerkrachten.” Roels: “Op de scholen zijn geen traditionele teamvergaderingen meer. Op de Landman scrummen we over concrete vraagstukken. Andere scholen hebben een andere vorm gekozen. Ik zie de stichting meer als één school met vier locaties, dan als vier losse scholen. We spreken van tevoren af welke resultaten we willen behalen. Er is nu een school die kleinere groepen maakt en dus een extra leerkracht nodig heeft. Dat kost ons geld.” Huisman: “Bij een inspectiebezoek moet ik me verantwoorden. Als de resultaten van een school niet voldoende zijn, dan moeten daar extra middelen naartoe. Dat bespreek ik met de schoolleiders. Een schooldirecteur die zegt: ‘Ik heb vierhonderd leerlingen en ik wil het geld voor die vierhonderd leerlingen’, zou niet bij ons passen.” Roels: “Dat ga je zeggen als je je niet gesteund voelt. Alsje geld nodig hebt en je krijgt het niet. Maar je moet wel delen.” Wat gebeurt er als bestuurder en schoolleider het niet eens zijn? Roels: “Als de opvattingen sterk uiteen gaan lopen zullen we nagaan wat er aan de hand is. Zoiets gaat in fases,

Leerlingen met ernstige taalontwikkelingsstoornis naar het gewone vmbo

Leerlingen met ernstige taalontwikkelingsstoornis naar het gewone vmbo Ook scholieren met een ernstige taalontwikkelingsstoornis moeten zich goed kunnen voorbereiden op het vervolgonderwijs. In Arnhem krijgen leerlingen van vso Kentalis College De Stijgbeugel samen met leerlingen van de reguliere vmbo-school Maarten van Rossem les in praktijk- en profielvakken. “Er kwam een andere structuur in het vmbo en onze school kon de nieuwe profielen niet aanbieden. Daarnaast vroegen ouders en leerlingen om betere aansluiting bij het vervolgonderwijs”, vertelt Sander Pietersen, afdelingsdirecteur van vso-school De Stijgbeugel in Arnhem. De Stijgbeugel is een locatie van Kentalis, een organisatie voor onderwijs en zorg aan kinderen met een communicatieve en/of auditieve stoornis. De school verzorgt vmbo-onderwijs voor ongeveer tachtig leerlingen met een taalontwikkelingsstoornis (TOS). Deze leerlingen hebben woordvindings- en woordbegripproblemen en problemen met het uiten van taal. Voor leerlingen met TOS zijn drie onderwijsarrangementen beschikbaar: licht, medium en intensief. Kinderen met een licht en medium arrangement gaan – met extra begeleiding – naar een reguliere school. Een intensief arrangement betekent speciaal onderwijs. Pietersen: “Leerlingen die in de bovenbouw toekunnen met een medium arrangement, stromen door naar het regulier onderwijs. Zo worden ze beter voorbereid op een grotere schoolomgeving en doen ze vaardigheden op als zelfstandig werken en initiatief nemen. Voor de leerlingen met een intensief arrangement wilden we hier ook naartoe.” School-in-school Het concept ‘school-in-school’ houdt in dat derde- en vierdejaarsleerlingen met een intensief arrangement les krijgen op het Maarten van Rossem, deels in een eigen lokaal. Docenten van Kentalis geven de kernvakken en een deel van de profielvakken. De praktijkvakken en de rest van de profielvakken volgen deze leerlingen gezamenlijk met reguliere vmbo-leerlingen. Die lessen worden gegeven door docenten van het Maarten van Rossem. Een Kentalis-docent is daarbij aanwezig als extra begeleider en ondersteunt zowel de Kentalis- als de Maarten van Rossem-leerlingen. “Zo creëren we een win-winsituatie”, zegt Pietersen. “Onze leerlingen kunnen kiezen uit de profielen van het Maarten van Rossem en wennen aan een reguliere onderwijssetting, wat hen beter voorbereidt op het mbo. Het Maarten van Rossem profiteert van de extra handen in de klas.” In schooljaar 2014/2015 bedachten de toenmalige directeuren van Kentalis en het Maarten van Rossem het concept ‘school-in-school’. Dit werd nader uitgewerkt en een projectgroep organiseerde de voorwaarden, zoals het lokaal, de inzet van de docenten en roostertechnische kwesties. “We hebben ook gepraat met de leerlingen om wie het gaat. Wie zijn het, wat hebben ze nodig”, vertelt Dianne Sterk, afdelingsleider vmbo+ en ondersteuningscöordinator op het Maarten van Rossem. “Vervolgens zijn we snel aan de slag gegaan en hebben we de knelpunten die zich voordeden werkendeweg opgelost. In de zomer van 2016 is een samenwerkingsconvenant afgesloten tussen het Maarten van Rossem en Kentalis.” Grote verschillen De Kentalis-docenten zijn in een cursus voorbereid op hun rol als ‘co-teacher’ van reguliere vmbo-leerlingen. “Zij ervoeren grote verschillen”, vertelt afdelingsdirecteur Pietersen. “Het Maarten van Rossem is meer een afspiegeling van de maatschappij dan De Stijgbeugel en er heerst een minder beschermd pedagogisch klimaat.” Op het Maarten van Rossem stonden docenten in het begin wat terughoudend tegenover het concept. “Acht jaar geleden hebben wij een vmbo+ ingericht voor leerlingen die extra begeleiding nodig hebben. Nu komt er weer een pittige groep scholieren binnen”, verklaart afdelingsleider Sterk de aarzeling. “Maar de leerlingen zijn zeer gemotiveerd en de docenten vinden het prettig om les aan hen te geven. Ook de ondersteuning van de Kentalis-docenten vinden zij waardevol.” Wat heel belangrijk is in het proces, benadrukken Sterk en Pietersen, is het goed doorspreken van verwachtingen over en weer. “Er kan miscommunicatie ontstaan en dat kan tot teleurstellingen leiden”, zegt Sterk. Pietersen: “Even een overdracht tijdens een leswisseling is niet genoeg, er moet expliciet tijd en aandacht voor afstemming zijn. We hebben daarom een coördinator die zich bezighoudt met leerlingzaken.” Een pijnpunt dat de politiek moet wegnemen, is het verschil in beloning tussen de docenten. “Kentalis verzorgt speciaal onderwijs en daarmee vallen we onder de cao van het primair onderwijs”, zegt Pietersen. “Dat willen we graag oplossen, ook met het oog op de doorontwikkeling. Deze constructies zie je steeds meer ontstaan en wat we nodig hebben is een landelijk beleid.” ‘Vet gaaf’ De betrokken leerlingen en ouders zijn enthousiast over het school-in-schoolconcept. “Een meisje zei de eerste week al tegen me dat ze deze school ‘vet gaaf’ vindt”, zegt Sterk. “Eindelijk een gewone school, dat is wat je hoort.” Pietersen: “De leerlingen zijn zelfstandiger geworden. Ze gaan bijvoorbeeld nu meer met eigen vervoer naar school.” Gepubliceerd in Kader Primair 6, 8 februari 2018

Onderwijs en zorg voor EMB-kinderen komt straks uit één pot

Onderwijs en zorg voor EMB-kinderen komt straks uit één pot Het geld dat nodig is om zowel zorg als onderwijs te kunnen bieden aan kinderen met een ernstig meervoudige beperking (EMB) komt straks rechtstreeks van de rijksoverheid. Deze afspraak is opgenomen in het regeerakkoord van het kabinet Rutte III. Dankzij de inspanningen van directeuren van Mytylscholen.  “De financiering van zorg en onderwijs voor kinderen met een ernstig meervoudige beperking is nu nog sterk versnipperd”, vertelt Harry Hoekjen, directeur-bestuurder van Onderwijscentrum Leijpark in Tilburg. “Er zijn ongeveer 2.500 EMB-kinderen met in Nederland. Zij zitten meestal op mytylscholen en sommigen gaan naar scholen voor zeer moeilijk lerende kinderen. Het zijn leerlingen met een laag ontwikkelingsperspectief door een ernstige verstandelijke beperking, vaak met moeilijk te interpreteren gedrag en ernstige sensomotorische problematiek. Zonder uitzondering zijn het kinderen die naast extra onderwijsondersteuning ook veel medische zorg nodig hebben. Voor het onderwijsgedeelte komt de financiering uit de samenwerkingsverbanden, die allemaal een eigen systematiek kennen. De zorgkosten komen uit andere potjes, zoals de gemeenten en het persoonsgebonden budget. De energie en tijd die gaan zitten in het aanvragen van middelen, kun je beter besteden aan het geven van onderwijs.” Vereenvoudiging Op Onderwijscentrum Leijpark hebben 60 van de 325 leerlingen een ernstig meervoudige beperking. “Voor ieder kind moet je alle potjes langs”, zegt Hoekjen. “Ook andere mytylscholen lopen hier tegenaan. Daarom zijn we ons sterk gaan maken voor vereenvoudiging van de financiering. Met zo’n tien scholen en het Landelijk Expertisecentrum Speciaal Onderwijs LECSO hebben we contact gezocht met politici. Zo hebben we onder meer positieve gesprekken gevoerd met de ChristenUnie en is D66-kamerlid Paul van Meenen tweemaal bij ons op bezoek geweest. Vlak voor de presentatie van het regeerakkoord belde hij ons om te vertellen dat hierin de afspraak is opgenomen dat de ministeries van OCW en VWS samen de financiering voor onderwijs en zorg aan deze kinderen gaan regelen. Dat verraste ons en we zijn er blij mee.” Vorm De directeur-bestuurder heeft er alle vertrouwen in dat de ministeries met een goede oplossing komen. “Welke vorm de ambtenaren gaan uitdenken, daar bemoei ik me niet mee. Het belangrijkste is dat de financiering vanuit de rijksoverheid geregeld wordt. Het gaat om een beperkte groep; bij een lokale of regionale aanpak knip je het probleem op.” Ook EMB-kinderen binnen het reguliere onderwijs, die ambulante zorg nodig hebben, vallen onder de regeling. “De maatregel is generiek, maar voor een reguliere school is het bijna ondoenlijk om deze complexe zorg goed te organiseren.” Integraal aanbod De ambities van Hoekjen reiken verder. “Op termijn willen we toe naar een integraal aanbod van opvang, onderwijs en therapie”, vertelt hij. “Dit jaar zijn we bijvoorbeeld begonnen om samen met intensieve revalidatiezorg onderwijs aan te bieden aan kinderen met niet-aangeboren hersenletsel, die pril uit de behandeling komen. Met zorgverleners Siza en Amarant en revalidatiepartner Libra werken we nauw samen in ons onderwijscentrum. Straks willen we er ook in de weekenden zijn. De tijd is er rijp voor. De ouders vragen erom en de partners zoeken ons op.” Gepubliceerd in Kader Primair 4, december 2017. Zie voor meer informatie Passend onderwijs in het Regeerakkoord 

Nieuw inspectietoezicht vraagt om ambitieuze blik

Nieuw inspectietoezicht vraagt om ambitieuze blik Het nieuwe onderzoekskader van de Inspectie van het Onderwijs creëert kansen voor scholen met ambitie. Dat betekent wel een andere manier van kwaliteitsbeleid voeren. Op de door B&T in november in Amersfoort georganiseerde Regioconferentie kwaliteitsmanagement laten ongeveer dertig enthousiaste bestuurders, kwaliteitszorgmedewerkers, schoolleiders en intern begeleiders zich bijpraten over een nieuw type kwaliteitsbeleid. Kwaliteitszorg die alleen is gericht op controle en eindopbrengsten, is niet duurzaam. Aandacht voor innovatie en ontwikkeling is ook nodig. Maar de opbrengsten op die terreinen zijn moeilijker vast te stellen. “Harde criteria, zoals toetsresultaten, kunnen we goed meten”, zegt B&T-adviseur Tijmen Bolk in de plenaire aftrap van de conferentie. “Maar als je wilt ontwikkelen en groeien, gaat het ook om zachte criteria als socialisatie en persoonsvorming van de leerling. Tegelijk blijven de ‘harde criteria’ van belang. Het is nodig beide kanten van kwaliteitszorg in beeld te hebben: beheersen én ontwikkelen. De opdracht is om daarin een balans te zoeken.” Kwaliteitskwadranten Een manier om greep te krijgen op de tegenstrijdig lijkende eisen aan onderwijskwaliteit zijn de Kwaliteitskwadranten. Op de horizontale as staan links ‘control, borgen, verantwoorden’ en rechts ‘ontwikkelen, leren, innoveren.’ Principes die bij de ‘controlkant’ horen zijn onder meer ‘Weet wat werkt’, ‘Focus op negatieve afwijkingen’ en ‘Kaders sturen’. Aan de ‘ontwikkelkant’ staan daar principes tegenover als ‘Weet wat kan werken’, ‘Focus op het positieve’ en ‘Dialoog stuurt’. De principes gelden voor de school of een scholengroep, maar ook voor de medewerker. Zo ontstaat de verticale as: collectief versus individu. “Ik vind de Kwaliteitskwadranten erg interessant. Dit model zet je weer even op scherp.” (een deelnemer) gepubliceerd op 6 december 2017 op de website van B&T Lees het hele artikel Nieuw inspectietoezicht vraagt om ambitieuze blik 

Bescherming tegen hacken en lekken

Bescherming tegen hacken en lekken Scholen moeten na 25 mei 2018 voldoen aan de Algemene Verordening Gegevensbescherming. Dit betekent onder meer dat onderwijsorganisaties hun digitale leerlingvolgsystemen, toetsingsprogramma’s en inzet van sociale media en apps onder de loep nemen en een Functionaris Gegevensbescherming aanstellen. De wet Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) is in april 2016 aangenomen door het Europees Parlement en wordt van kracht in mei 2018. De wet vervangt de ‘oude’ wet Bescherming Persoonsgegevens uit 2001 en heeft als doel om privacybescherming beter te laten aansluiten op de technologische ontwikkeling en toenemende globalisering. Voor scholen heeft de nieuwe regelgeving op drie terreinen consequenties: omgaan met leerlinggegevens, het gebruik van digitale systemen en de beveiliging van apparatuur en programma’s. Daarnaast moeten scholen een Functionaris Gegevensbescherming aanstellen. Job Vos, jurist bij Kennisnet en expert op het gebied van privacy en informatiebeveiliging in het onderwijs, noemt privacybeleid een ‘breed en complex’ onderwerp. “Scholen gebruiken meerdere digitale middelen zoals een leerlingvolgsysteem en digitaal leermateriaal. De school is verantwoordelijk voor de gegevens die daarin omgaan. Het is belangrijk dat je privacy, gegevensbeveiliging en de beveiliging van je systemen in samenhang regelt. Ict is één proces. Ga niet ad hoc virussen bestrijden maar richt het in één keer goed in.” Overstapservice 96 procent van de scholen in het primair en voortgezet onderwijs is aangesloten bij de Overstapservice Onderwijs OSO, het overstapdossier met administratieve gegevens, zorggegevens, begeleidingsgegevens en informatie over leerresultaten. De technische uitvoering van OSO ligt bij Kennisnet. Via de sectorraden hebben scholen een contract met OSO. Dit contract moet aangepast worden en Kennisnet zal de scholen benaderen met het nieuwe contract. OSO gaat over de gegevensoverdracht tussen scholen, maar scholen wisselen ook gegevens uit met bijvoorbeeld Jeugdzorg. Vos: “Dat is toegestaan, mits het veilig gebeurt. Jeugdzorg werkt tegenwoordig vaak met wijkteams en daar zit ook de politie bij. Die mag dan niet met leerlinggegevens aan de haal gaan. Dat moet je goed afspreken. Het Nederlands Jeugdinstituut heeft hiervoor een handreiking ontwikkeld.” Omdat de overheid doorlopende leerlijnen belangrijk vindt, mogen scholen het Onderwijskundig Rapport blijven gebruiken. “Bij een warme overdracht is dat rapport het uitgangspunt”, zegt Vos. “De AVG maakt het transparanter. Scholen bespreken met ouders wat er wordt meegenomen. Ouders kunnen vragen gegevens te verwijderen, maar alleen als het gaat om gegevens die de school niet hoort te hebben.” Pseudoniem Leveranciers van digitale leermiddelen hebben leerlinggegevens nodig als naam en adres. Het gebruik van het studiemateriaal levert ook gegevens op als voortgang- en examenresultaten. Dat kan interessant zijn voor de leverancier, en daarom heeft de Tweede Kamer besloten dat leveranciers niet langer het persoonsgebonden nummer mogen gebruiken, maar een door Kennisnet gepseudonimiseerd nummer (keten iD). Dit nummer is niet herleidbaar tot een individuele leerling en wordt uitsluitend door geautomatiseerde (uitwisselings)processen gebruikt. Omdat het keten iD is gebaseerd op het persoonsgebonden nummer is wetgeving noodzakelijk. Vos: “Het blijft belangrijk beide nummers veilig op te slaan.” Voor scholen geldt dat de invoering van het keten iD zo veel mogelijk op de achtergrond plaatsvindt. Wel dient het schoolbestuur een bewerkersovereenkomst te sluiten met de voorziening die het keten iD aanmaakt. ‘Alle data zijn versleuteld’ “Een paar jaar geleden werden we geconfronteerd met een Ddos-aanval”, vertelt Antoon Fens, ict- coördinator van de Scholen Combinatie Zoetermeer SCZ (vo). “Dan besef je goed hoe kwetsbaar je systemen zijn. Je netwerk ligt plat en leerlinggegevens worden onbereikbaar.” Fens was toen al bezig in kaart te brengen welke digitale systemen op de drie scholen van de SZC gebruikt werden, welke gegevens waar waren opgeslagen en hoe ze werden beveiligd. “Die documentatie is een flinke klus, zeker in het begin. De SZC maakt deel uit van het netwerk Digidac. We hebben ons laten informeren door een expert van Kennisnet en zijn thema’s gaan bespreken als het privacyprotocol, de meldplicht datalekken en het protocol film-foto-camera. Samenwerking is belangrijk, dat raad ik echt aan.” Inmiddels zijn er op de SCZ flinke stappen gezet in de richting van beveiliging van persoonsgegevens, apparatuur en systemen. Alle data zijn versleuteld en naast gebruikersnaam en wachtwoord moeten medewerkers ook een ‘token’ invoeren om bij hun digitale bestanden te kunnen. Het Digidac-netwerk heeft een animatiefilmpje gemaakt over omgaan met persoonsgegevens, dat aan leraren wordt vertoond. Fens: “Op iedere school gebeuren dingetjes, zoals een wachtwoord op het digibord zichtbaar intikken of een USB-stick verliezen. Het bewust maken van collega’s is een belangrijk onderdeel van je ict-beleid.” Facebook en Whatsapp Scholen, ouders, leerlingen zelf: vrijwel iedereen ‘zit’ op Facebook. Maar het gebruik van Facebook door de school is wat Vos betreft een absolute no-go. “Als een kind zelf iets op Facebook zet, is dat niet de verantwoordelijkheid van de school. Maar het is onverstandig om als school op Facebook te zitten met een groep of klas. Facebook wordt eigenaar van de foto’s en kan dus foto’s van leerlingen gebruiken om bij een reclame voor snoep te zetten.” Het gebruik van Whatsapp ligt anders. De berichten die daarop worden geplaatst, worden geen eigendom van Whatsapp. Vos: “Scholen die Whatsapp gebruiken, moeten wel regels afspreken. Foto’s of gevoelige informatie, bijvoorbeeld over gezondheid, moet je niet delen.” Beveiliging De afhankelijkheid van ict brengt risico’s met zich mee, zoals hacken en datalekken. “Zorg dat je systemen veilig blijven”, zegt Vos. “Met beleid. De school of het bestuur moet een visie ontwikkelen en op alle computers dezelfde aanpak hanteren. Begin met in kaart brengen welke systemen de school gebruikt en welke gegevens die systemen gebruiken. Welke risico’s zitten daaraan vast? Als je alles in ParnasSys of Magister doet, is het belangrijk dat je die systemen als eerste beveiligt tegen hacken. Voor gevoelige systemen kun je bijvoorbeeld een andere opbouw van wachtwoorden afspreken dan voor minder gevoelige systemen.” Wanneer data op straat komen te liggen, kan een school een boete krijgen van 20 miljoen euro. “Dat betekent dat je dit serieus moet nemen”, aldus Vos. “Hacken en lekken kan de beste overkomen, maar je moet aantonen dat je je best hebt gedaan om goed te beveiligen. Als de laptop van de directeur kwijtraakt op 24 december, mag het niet tot

Oefenen in samenleven

Oefenen in samenleven Het onderwijs heeft meer houvast nodig bij burgerschapsvorming. De overheid zou duidelijker kunnen aangeven welke resultaten men van scholen wil zien rond gedeelde waarden of onderwerpen als de Holocaust, terrorisme of seksuele diversiteit. Het publieke belang dat groepen elkaar blijven ontmoeten – op school of erbuiten – verdient ook aandacht. Net als het vergroten van zelfredzaamheid en maatschappelijke weerbaarheid. Tekst Susan de Boer | Beeld Shutterstock ‘Samenleven wordt een belangrijk leerdoel,’ zegt Monique Turkenburg, programmaleider opgroeien en leren bij het Sociaal en Cultureel Planbureau SCP. ‘Gelet op demografische ontwikkelingen en migratiestromen zal de diversiteit in de samenleving steeds verder toenemen. En dat stelt nu eenmaal eisen aan hoe we met elkaar omgaan.’ Zo ziet inspecteur-generaal van het Onderwijs Monique Vogelzang het ook: ‘De school is de plek waar je samenleven in de praktijk kunt brengen.’ Toch komt de school als ontmoetingsplaats op de tocht te staan doordat mensen steeds meer in gescheiden werelden leven. Dat is een probleem, vindt Turkenburg. ‘Hoe meer mensen in homogene werelden leven, hoe minder begrip men voor elkaar heeft.’ Daarnaast kan de scheiding in werelden betekenen dat er globaal twee groepen ontstaan: mensen die alles goed voor zichzelf en hun kinderen kunnen regelen en mensen die dat minder goed kunnen. De verschillen tussen scholen nemen toe, stelt Vogelzang vast. ‘Het gezin waaruit een leerling komt, bepaalt steeds meer naar welke school een kind gaat. Hoogopgeleide ouders zijn meer bezig met de ontwikkeling van hun kind dan laagopgeleide en organiseren bij stagnatie sneller begeleiding. Wij vinden dat ieder kind maximale mogelijkheden moet krijgen om op ieder niveau te presteren. Dat willen scholen ook. Zij organiseren bijvoorbeeld steeds vaker zelf huiswerkbegeleiding, zodat een leerling minder afhankelijk is van wat de ouders kunnen bieden.’ Aandachtspunt Burgerschapsvorming kan helpen mensen bij elkaar te brengen, maar onderzoek laat zien dat de Nederlandse scholen burgerschapsonderwijs nog onvoldoende weten vorm te geven. ‘Alle scholen doen iets aan burgerschapsvorming, maar de kaders zijn ruim,’ zegt Vogelzang. ‘De overheid kan meer houvast bieden door duidelijker aan te geven welke resultaten men van scholen wil zien rond gedeelde waarden of onderwerpen als de Holocaust, terrorisme en seksuele diversiteit. Het gaat bij onderwijs niet alleen om de inhoud, maar ook om het publieke belang dat groepen elkaar blijven ontmoeten. Dat is echt een aandachtspunt.’ Ook kansenongelijkheid verdient aandacht: deze lijkt verder toe te nemen doordat ‘stapelen’, het na elkaar volgen van voortgezet onderwijs, middelbaar beroepsonderwijs en hoger onderwijs, minder plaatsvindt. Turkenburg: ‘Mbo’ers hebben vaak schuldvrees en zien daarom af van doorstuderen. Tegelijk zijn de doorstromende mbo’ers minder succesvol geworden op het hbo. Dat komt onder meer doordat het hbo-instellingen lang niet altijd lukt om studenten die zijn vastgelopen, weer vlot te trekken. Ook heeft de inzet op belangrijke vakken als taal, rekenen en Engels nog niet het gewenste effect. Bovendien zijn er grote cultuurverschillen tussen mbo en hbo.’ Wel zoeken mbo- en hbo-opleidingen steeds meer naar samenwerking. Zij ontwikkelen bijvoorbeeld doorstroommodules. Daarbij doen zich soms knelpunten in de regelgeving voor. Vogelzang noemt als een voorbeeld de bevoegdheid van leraren om op verschillende niveaus les te mogen geven. ‘Vmbo’s werken graag met pabostudenten, maar dat kan eigenlijk niet. Wij hebben bij het departement gevraagd daar nog eens goed naar te kijken.’ Niet zonnig Ze waarschuwt voor het effect van doorstroommodules en andere maatwerk­trajecten op de toegankelijkheid van het onderwijs. Vogelzang: ‘Centrale diplomering garandeert kwaliteit: zowel de leerling als de opleidingen weten welke niveau er is behaald en op welke vervolgopleiding de leerling toelaatbaar is. Als je dat zou loslaten, gaan scholen ongetwijfeld aan de poort selecteren en dat betekent voor sommige groepen een risico. Het maatschappelijk belang moet in dit geval voorrang krijgen op het individueel belang.’ Bij de discussie over het mbo speelt ook de toekomst van de arbeidsmarkt een rol. Die ziet er voor het middensegment niet zonnig uit, zegt Turkenburg. ‘Hier neemt de werkgelegenheid af, onder meer als gevolg van de robotisering, al verschilt het sterk per sector. Studenten van nu moeten zich voorbereiden op een onzekere arbeidsmarkt. Positief is dat veel mbo’ers zich ervan bewust zijn dat ze zich in de loop van hun leven zullen moeten bijscholen.’ In dit verband zou er ook meer aandacht moeten zijn voor interculturele vaardigheden. ‘Internationale stages kunnen veel bijdragen aan de ontwikkeling van studenten, ook in het mbo. Het werkveld richt zich per slot ook op het buitenland, zeker binnen de maakindustrie en het transport.’ De Inspectie heeft geen onderzoek gedaan naar de mate waarin scholen aandacht schenken aan internationalisering. Vogelzang: ‘Wel zien we dat scholen die zich ermee profileren, of tweetalig onderwijs aanbieden, in trek zijn.’ Zowel het leggen van een stevige kennisbasis als ‘leren leren’ is noodzakelijk voor toekomstgericht onderwijs. Daarnaast is het belangrijk dat het onderwijs de ‘collectieve weerbaarheid’ van de burgers helpt vergroten. Kennis, kunnen omgaan met verandering, flexibiliteit, een leven lang ontwikkelen, deel uitmaken van de samenleving. Die punten komen steeds terug.’ Turkenburg: ‘De bevolking veroudert, en we doen een beroep op de burger om in het eigen netwerk zorg te zoeken en te bieden. In combinatie met een onzekere arbeidsmarkt is dat een aandachtspunt. Het vergroten van zelfredzaamheid en maatschappelijke weerbaarheid is een opdracht voor het onderwijs van de toekomst.’ ■ gepubliceerd in Publiek Denken, special Kabinet aan Zet, oktober 2017

Een nieuw curriculum maken doe je samen

Een nieuw curriculum maken doe je samen ‘Je moet mensen niet te ver uit hun comfortzone jagen’ Vanuit het onderwijsveld leerlijnen en lesinhouden ontwerpen die passen bij de veranderende samenleving. Dat is de bedoeling van Curriculum.nu. Op sommige scholen doen lerarenteams dit al, bijvoorbeeld op IKC de IJsselhof in Zwolle. Schoolleiders Marja Heerdink en Femke Spijkerman: “De regie ligt bij de leerkracht. Wij stimuleren de collega’s hun talenten en kwaliteiten in te zetten.” Wat leerlingen moeten kennen en kunnen om een evenwichtige persoonlijkheid te worden en een verantwoordelijke burger, is elf jaar geleden vastgelegd in een landelijk curriculum voor het primair en voortgezet onderwijs. Inmiddels is de wereld veranderd, dus is het de vraag of dit curriculum nog wel past. Onderwijsorganisaties AVS, Onderwijscoöperatie, PO-Raad, VO-raad, LAKS en Ouders & Onderwijs willen daarom de inhoud en voor een deel ook de organisatie van het onderwijs opnieuw vaststellen. De ontwikkelteams die zich over de verschillende leergebieden gaan buigen, bestaan uit schoolleiders en leraren. “Het is ongelooflijk belangrijk dat het onderwijsveld hierin zelf aan zet is”, zegt AVS-voorzitter Petra van Haren, die in de coördinatiegroep Curriculum.nu zit. “Het veld weet het beste wat kinderen nodig hebben. We hebben nu de kans om bouwstenen te leveren voor een nieuw curriculum.” In de ontwikkelteams zal onder meer gesproken worden over de ruimte van scholen om zelf keuzes te maken. “De schoolleider zal bij deze eigen invulling een belangrijke rol spelen, bijvoorbeeld in het voeren van de dialoog met de teamleden. Daarom roep ik schoolleiders op om deel te nemen aan de ontwikkelteams.” Niet afwachten Intussen zitten scholen niet stil in een hoekje te wachten, maar nemen zelf initiatieven om hun onderwijs te verbeteren. Veel schoolleiders en leraren volgen scholing en ontwikkelen een visie op goed en eigentijds onderwijs. Op de eigen school brengen ze hun nieuwe inzichten in de praktijk. Een van de scholen die sterk inzet op schoolontwikkeling is integraal kindcentrum de IJsselhof in Zwolle. Hier geven Marja Heerdink en Femke Spijkerman leiding aan 32 leerkrachten die onderwijs ontwikkelen in onderwijswerkgroepen. “Vijf jaar geleden, ik was net gestart als directeur, heb ik een filmpje gemaakt”, vertelt Heerdink. “Wat ik zag in de klas was dat leerlingen niet erg gemotiveerd waren. Leerkrachten kwamen vervolgens met de vraag hoe we de motivatie konden verbeteren.” Heerdink organiseerde een heidag met het team waar over de onderwijsvisie van de school is gepraat en de koers is bepaald. “Het is op een collectieve manier in gang gezet.” Deep learning De onderwijsvisie van IKC de IJsselhof is gebaseerd op New Pedagogies for Deep Learning (NPDL), een beweging voor onderwijsvernieuwing en -ontwikkeling van onder meer de Amerikaanse onderwijskundigen Michael Fullan en Joanna Quinn. Binnen NPDL gaat het erom dat leraren goed kijken naar kinderen en wat zij willen leren. Een aanpak die daarbij past is leerlingen te stimuleren zelf vragen te stellen over een onderwerp. Daarbij speelt de didactische coach een belangrijke rol. Zij helpt leraren aan de hand van zelfgemaakt filmpjes diepere denkvragen te stellen. “In de ‘Week van het Leren’ doen we de methodes aan de kant”, zegt Heerdink. “Samen met leerlingen gaan we dan ontdekkend en onderzoekend leren. Het is belangrijk dat leerlingen meteen iets hebben aan hun nieuwe kennis.” Voor sommige leraren was lesgeven zonder methodes een brug te ver. “Een methode geeft houvast, dan weet je dat je niets overslaat. Sommige leraren gebruikten daarom wel delen van de methode. Dat is ook goed, je moet mensen niet te ver uit hun comfortzone jagen.” De leraren die wel buiten de gebaande paden waren getreden, hadden daarover een filmpje gemaakt. Spijkerman: “Zij zijn de ambassadeurs geworden van onze nieuwe aanpak.” Collectief leren Op de IJsselhof volgen veel leerkrachten een masteropleiding. “Dat wilden we inkaderen”, zegt Spijkerman. “De onderwijswerkgroepen die we hebben opgericht rond de thema’s Gedrag, Het jonge kind, Taal, Rekenen en Leren & Innovatie,worden geleid door een collega met een master.” In de werkgroepen worden de speerpunten bepaald en de plannen ontwikkeld en uitgevoerd. Alle leerkrachten maken deel uit van een werkgroep en alle leerjaren zijn in iedere werkgroep vertegenwoordigd. Zo kunnen er op de verschillende thema’s doorlopende leerlijnen ontworpen worden. Dat zoveel leerkrachten een master hebben gevolgd, heeft veel invloed op de kwaliteit van het onderwijs en de ‘ontwikkeldrang’ van het team. Heerdink: “Collectief leren is een belangrijke factor hierin. Er is veel gretigheid ontstaan om het onderwijs te verbeteren. Fouten maken mag, moet zelfs, om verder te komen.” De onderwijswerkgroepen delen hun resultaten. Wat de ene groep uitvogelt, heeft ook impact op wat de andere groepen doen. Zo wordt de samenhang tussen leergebieden groter en komen doorlopende leerlijnen binnen de school in zicht. Heerdink: “De Jonge kind-groep heeft gekeken naar de knip tussen groep 2 en 3. Dat heeft effect op het leesonderwijs. We gebruiken nog steeds de methode Veilig leren lezen, maar zijn daarnaast ook met thema’s bezig.” Omgekeerd heeft de werkgroep Taal invloed op wat in groep 1 en 2 gebeurt. “De collega met master Taal heeft in haar eigen groep in de bovenbouw een nieuwe aanpak ontwikkeld voor het begrijpend lezen. Daarna heeft ze met de werkgroep een leerlijn gemaakt voor de hele school.” De werkgroepen proberen hun ideeën direct uit in de klas. Heerdink: “We werken vanuit het doen, maar we toetsen het wel aan de theorie. We zijn een academische opleidingsschool, we gaan niet vanuit de onderbuik experimenteren. De leerlijnen zijn gestoeld op wetenschappelijk onderzoek.” Eigenaarschap De leerlijnen worden ook doorgetrokken naar de voorschool en het vervolgonderwijs. Heerdink: “Binnen ons bestuur zijn scholen voor po, vo en so. Het bestuur vindt onderlinge uitwisseling erg belangrijk en stimuleert dat ook, bijvoorbeeld met Onderwijscafé’s waar zowel po- als vo-collega’s komen.” Spijkerman: “We maken ook een leerlijn voor de voorschool, om de start in groep 1 te verbeteren. De opvang hanteert een kindvolgsysteem. Een student pedagogische opvang onderzoekt nu hoe we onze leerlijn en dit volgsysteem op elkaar kunnen laten aansluiten.” In het IKC zijn heel veel studenten actief: van de pabo, maar ook hbo-studenten pedagogiek, management en mbo-studenten sociaalpedagogisch werk. Spijkerman: “We