Leren functioneren in een democratische rechtsstaat

Leren functioneren in een democratische rechtsstaat Na de zomer stuurt minister Arie Slob het wetsvoorstel ‘Verduidelijking burgerschapsopdracht in het funderend onderwijs’ naar de Tweede Kamer. Doel hiervan is meer duidelijkheid scheppen over de opdracht van scholen om leerlingen burgerschapsonderwijs te bieden. Want ‘burgerschap’ is nogal een containerbegrip en raakt ook aan persoonlijke vorming en identiteit.  Het wetsontwerp bepaalt dat scholen hun leerlingen kennis over en respect voor de basiswaarden van de democratische rechtsstaat bijbrengen. Ook wordt de school gezien als plek waar leerlingen actief kunnen oefenen met de vaardigheden die ze nodig hebben om deel te nemen aan de samenleving. Tenslotte horen leerlingen op school het goede voorbeeld te krijgen. Burgerschapsonderwijs is sinds 2006 verplicht, maar, zegt minister Slob: “De huidige opdracht in de wet is te vaag en vrijblijvend. Voor burgerschap is nu nog niet veel vastgelegd in de onderwijsdoelen, terwijl we het wel een erg belangrijk onderwerp vinden. Aan die onduidelijkheid komt met dit wetsvoorstel een eind.” De minister ziet het wetsvoorstel vooral als kompas. “Dat actief burgerschap bevordert en verbinding tussen mensen veroorzaakt. Bij burgerschap gaat het om leren functioneren in de democratische rechtsstaat. Dat is niet iets wat je bij je geboorte meekrijgt, en lang niet alle kinderen leren dat thuis. Juist daarom ligt er een belangrijke opdracht bij scholen. Die kunnen dit naar eigen overtuiging inkleuren, waarbij ze moeten voldoen aan de minimale eisen die in de nieuwe wet staan. Ik schrijf alleen voor dát scholen burgerschap moeten bevorderen, niet hóe ze dit moeten doen. Scholen hebben alle ruimte om passend bij de eigen schoolcontext en levensbeschouwelijke of pedagogische visie aan de slag te gaan met burgerschap.” De wetswijziging maakt het ook mogelijk dat de onderwijsinspectie scholen er op aan kan spreken als ze scholen onvoldoende burgerschapsonderwijs geven. Nu kan dat alleen als een school er helemaal niets aan doet. Het plan van aanpak voor burgerschap moet ook in de schoolgids komen te staan. Overigens vormen het wetsvoorstel en de voorstellen vanuit Curriculum.nu op het gebied van burgerschapsonderwijs twee aparte trajecten. Curriculum.nu gaat veel gedetailleerder in op het wat, terwijl het wetsvoorstel alleen kaders biedt. Slob: “Het is goed dat het ontwikkelteam Burgerschap voorstellen heeft gedaan voor de kennis en vaardigheden die leerlingen nodig hebben. Leraren en schoolleiders hebben hard gewerkt om de bouwstenen voor een nieuw curriculum vorm te geven.” Slob was in een vorig leven zelf docent maatschappijleer. “Meedenken over de invulling van burgerschapsonderwijs zou ik als leraar enorm leuk hebben gevonden. Stond ik nu nog voor de klas, dan zou ik een pleidooi hebben gehouden om leerlingen veel te laten oefenen.” Meer kennis “Je bent deel van de samenleving. Daar moet je iets van weten en daar mag je iets van vinden. Daar gaat het over”, zegt Hans Teunissen, bestuurder en plaatsvervangend rector van scholengemeenschap voor mavo, havo en vwo De Nassau in Breda en voormalig voorzitter van de landelijke vereniging van docenten maatschappijleer. “Democratisch burgerschap wordt in de nieuwe wet zowel inhoudelijk als qua doelmatigheid en samenhang aangescherpt. Curriculum.nu biedt handen en voeten om het concreet te maken.” Onderzoek heeft uitgewezen dat Nederlandse leerlingen minder dan hun leeftijdgenoten in Europa en de rest van de wereld kennis hebben van democratie en rechtsstaat. Dat verbaast Teunissen niet. “De ondervraagde leerlingen waren 14 jaar en in Nederland komen die onderwerpen vooral aan de orde in maatschappijleer in de bovenbouw van het voortgezet onderwijs. Maar scholen maken zelf keuzes, je kunt het er ook over hebben bij geschiedenis of andere vakken. Veel scholen geven gelukkig ook nu al vorm aan burgerschapsonderwijs.” De twee lesuren per week voor maatschappijleer zijn niet voldoende om een goed begrip te kweken van de democratische samenleving. Op De Nassau nemen leerlingen dan ook naast maatschappijleer deel aan veel activiteiten waarin democratie en persoonlijke vorming een rol spelen. Zo is er de Nassau Academie, waar aan de hand van interdisciplinaire onderwerpen aspecten van de rechtsstaat voorbijkomen. Deze zogenoemde ‘minoren’ zijn voor alle leerlingen structureel ingeroosterd. Op de school discussiëren leerlingen in teams over maatschappelijke onderwerpen. Er worden politieke avonden georganiseerd, waar ook wijkbewoners en jongerenorganisaties van de politieke partijen aanwezig zijn. Iedere ochtend worden er ‘goedemorgenfilmpjes’ vertoond, bij wijze van dagopening, waardoor iedere dag start met een gemeenschappelijk en vaak maatschappelijk element. “Uit Brits onderzoek weten we dat er drie aspecten belangrijk zijn bij burgerschapsonderwijs”, zegt Teunissen. “Het moet een structurele plek hebben in het curriculum, er moeten formele eisen zijn – bijvoorbeeld met een toets – en het vak ‘burgerschap’ moet worden gegeven door bevoegde leraren. Democratisch burgerschap, ook als je het interdisciplinair aanbiedt, is echt een vak, een professie. We geven leerlingen handvatten om zich te bewegen in de wereld van morgen.” Diverse samenleving Deelnemen aan de samenleving veronderstelt ook dat mensen met verschillende achtergronden met elkaar moeten kunnen omgaan. “Scholen staan voor de uitdaging om leerlingen onze diverse samenleving te laten ervaren en dat is niet voor iedere school even gemakkelijk”, zegt minister Slob. “Een school met leraren en leerlingen die onderling allemaal veel op elkaar lijken, zal zich meer moeten inspannen voor het organiseren van ontmoetingen met andersdenkenden dan een school die van zichzelf al uitermate divers is. Maar het leren omgaan met verschillen tussen bijvoorbeeld mensen, culturen en denkbeelden is onmisbaar. Dat geldt ook voor het leren begrijpen dat mensen keuzes maken over hoe ze hun leven willen leven. Want dat is één van de kritieke kenmerken van een democratie. Goed burgerschapsonderwijs maakt het mogelijk om de vrije open samenleving te snappen en er met elkaar vreedzaam in te leven.” Hoewel scholen op basis van de eigen identiteit keuzes kunnen maken, is Artikel 23 van de Grondwet – waarin de vrijheid van onderwijs is geregeld – geen onbeperkte vrijbrief om waarden en normen over te brengen die haaks staan op de democratische samenleving. Slob: “De democratische samenleving, de rechtsstaat en grondrechten zijn de fundamentele beginselen die er voor zorgen dat we vreedzaam met elkaar kunnen samenleven. Zijn er scholen die zich afkeren van de samenleving, dan kunnen we hen daarop aanspreken en indien nodig aanpakken

Buitenschools leren helpt kinderen vooruit

Buitenschools leren helpt kinderen vooruit. ‘Investeren in het normale leven Een zinvolle besteding van de vrije tijd en het ontwikkelen van niet-schoolse competenties is goed voor kinderen en voor de maatschappij, betogen onderwijs- en ontwikkelingsprofessionals. Kinderen maken kennis met verschillende facetten van het leven, doen diverse vaardigheden op en zijn bovendien van de straat. Ook kunnen professionals mogelijke problemen vroegtijdig signaleren en verhelpen. Maar tussen onderwijs, welzijn en zorg zitten nog genoeg schotten en er is meer onderzoek nodig naar de werkelijke effecten van niet-formeel leren. “In Nederland is jeugdbeleid ongeveer synoniem met jeugdzorg”, zegt René Clarijs, hoofdredacteur van het tijdschrift Jeugdbeleid, zelfstandig onderzoeker en hoogleraar Jeugdbeleid en Jeugdzorg. “Het is een merkwaardig stelstel. Jeugdzorg groeit al zeventig jaar. Vorig jaar was er een tekort van 605 miljoen euro. In veel Europese landen is jeugdzorg onderdeel van de gezondheidszorg. Jeugdbeleid betekent daar: investeren in de vrijetijdsbesteding van kinderen.” Stuiterende jochies In de uitgave Op naar een integrale aanpak, dat de AVS voorjaar 2018 gepubliceerde, houdt Clarijs een pleidooi voor een bestuurlijke transformatie waarbij de focus van het jeugdbeleid komt te liggen op de ontwikkeling van competenties en talenten van kinderen. “In Nederland investeert men niet in de ‘voorkant’ van het jeugdstelsel. Het gevolg is dat problemen pas laat aan het licht komen. Denk bijvoorbeeld aan kinderen die niet alleen lastig zijn op school, maar ook bij de voetbalclub worden weggestuurd. De trainers bij sportclubs zijn meestal vrijwilligers, die weten niet hoe ze moeten omgaan met stuiterende jochies. Dat betekent dat deze kinderen op straat gaan hangen en mogelijk in de Jeugdzorg terechtkomen.” Een oplossing zou zijn om jeugdprofessionals regelmatig langs de sportclubs te laten gaan om tips te geven aan trainers en om kinderen die in het nauw zitten te helpen. “Een kind uit een kwetsbaar gezin, dat zich zorgen maakt of zijn moeder thuis is als hij van voetballen komt, kan echt niet bij het bestuur van de club terecht. Die jeugdprofessional kan dan helpen, die kent de weg. Dat dit niet gebeurt, komt omdat de politiek geen publiek geld wil uittrekken voor kinderen met wie nog niks aan de hand is. Het gezin is heilig. En dat is prima zolang het goed gaat, maar een alleenstaande moeder met zeven kinderen op twaalf hoog krijgt het niet altijd voor elkaar.” Ook voor de ontwikkeling van niet-schoolse competenties, zoals leren samenwerken, initiatief en empathie tonen, is investeren in de vrije tijd van kinderen nuttig. “Kinderen hebben vijfduizend uur per jaar vrije tijd en dat laten we nu zomaar liggen als ontwikkeltijd. Die tijd kunnen ze op allerlei manieren invullen. Met sport en muziekles en dergelijke, maar ook, bijvoorbeeld, door mee te doen aan een buurtproject tegen zwerfafval. Daar zou best een maatschappelijke waardering tegenover mogen staan. Zeker voor kinderen die minder goed presteren in cognitieve vakken schept dit kansen. Een scholier zonder glanzende schoolloopbaan kan dan aan een potentiële werkgever laten zien wat hij of zij in zijn of haar mars heeft.” verschenen in Kader Primair, december 2018 Lees het hele artikel  

Schoolleiders willen meer erkenning

Schoolleiders willen meer erkenning en waardering, ook van de politiek “Maak onderscheid tussen de prestaties op de eindtoets en de kwaliteit van de school. Stop de stroom aan maatschappelijke thema’s richting basisschool. Zorg voor voldoende ondersteuning in de school. Doe iets aan de schotten tussen de ministeries OCW en VWS. En zie de onderwijsorganisatie als één geheel; het gaat niet alleen over leraren.” In een gesprek met onderwijspolitici uit de Tweede Kamer leggen schoolleiders uit het primair onderwijs hun concrete wensen op tafel. “Mensen hebben hoge verwachtingen van schoolleiders. Het personeel, de ouders, het bestuur, de onderwijsinspectie: aan iedereen leggen wij verantwoording af. En dat is goed. Ik zeg niet dat ik het zwaar heb, wel dat ik me ondergewaardeerd voel”, zegt een van de deelnemende schoolleiders. Samen met veertien collega’s uit onder meer Den Haag, Amsterdam, Woerden en Edam gaat zij op 10 oktober in gesprek met Tweede Kamerleden in Perscentrum Nieuwspoort te Den Haag. Dit initiatief van de AVS vindt plaats in het kader van de #wijschoolleiders-acties. Namens de Tweede Kamer nemen Lisa Westerveld van GroenLinks, Harm Beertema van de PVV en Kirsten van den Hul van de PvdA deel. Brandjes blussen “Nu er voor de leerkrachten een verbetering van de arbeidsvoorwaarden is binnengehaald, is er een disbalans ontstaan”, opent AVS-voorzitter Petra van Haren het gesprek. “Wat er voor de leraren bereikt is, is goed. Daar staan wij als schoolleiders achter. Maar dat mag niet alles zijn. De schoolleider heeft een eigen rol en verantwoordelijkheid.” Die taken en verantwoordelijkheden zijn breed. “Ik heb vandaag mijn school niet gezien”, vertelt een directeur van een eenpitter uit Breda. “Vanmorgen heb ik overlegd met het samenwerkingsverband Passend onderwijs en vanmiddag ben ik met de pabo in gesprek geweest over het leraarschap over tien jaar.” En dan is deze directeur nog met onderwijskundige en beleidsmatige zaken bezig geweest. “Ik heb de hele dag brandjes lopen blussen”, zegt een schoolleider uit Woerden. “Eigenlijk had ik met de intern begeleider klassenbezoeken willen afleggen. Maar aan onderwijskundig leiderschap kom ik niet toe.” Verschenen in Kader Primair, november 2018 Lees het hele artikel.

Een blik van buiten. Interim-directeur brengt rust en continuiteit

Een blik van buiten. Interim-directeur brengt rust en continuiteit Als een school geen directeur heeft, of de taak van de directeur wordt wel erg complex, dan kan een interim-directeur uitkomst bieden. Een ‘interim’ is niet goedkoop, maar levert naast continuïteit ook een frisse blik van buiten. Interim-directeur Dirk Bosch: “Ik weet dat ik goed werk moet leveren, want het kost de school best veel. Ik mag er geen zootje van maken.” “De directeur van onze locaties voor speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs ging weg, en hoewel we tijdig zijn gestart met de procedure voor een opvolger, lukte het ons niet de vacature in te vullen”, zegt Jan Zijp, directeur en bestuurder van de koepel Ronduit voor scholen voor openbaar primair onderwijs in Alkmaar. Ronduit omvat zeventien basisscholen, één school voor speciaal basisonderwijs en tien locaties voor speciaal onderwijs. “We zochten daarom een tijdelijke oplossing. Onderwijsadviesbureau B&T kon ons met Dirk Bosch een interim-directeur leveren die zelf afkomstig is uit het speciaal onderwijs. Het is belangrijk dat een directeur inhoudelijk kennis van zaken heeft, want het speciaal onderwijs heeft een heel eigen karakter. Er gebeurt veel, bijvoorbeeld rond kwaliteit en de samenwerkingsverbanden passend onderwijs.” SMART De opdracht voor de interim-directeur is strak omschreven. Zijp: “Zo hebben we gezegd dat we willen dat de teamsfeer en teamcultuur behouden blijven, dat het niveau van de leerkrachten en de ondersteuningscoördinatoren in orde is, we hebben gevraagd om structuur aan te brengen in de financiële stromen en we willen nieuw beleid ontwikkelen op onze locaties voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs. Over dat laatste willen we een advies. We hebben de doelen SMART geformuleerd, dus specifiek, meetbaar, acceptabel, realistisch en tijdgebonden, zodat we precies weten wat er wanneer gebeurd moet zijn en welke producten we verwachten.” Zijp is tevreden met de manier waarop Dirk Bosch de opdracht uitvoert. “Continuïteit is belangrijk en dat biedt deze interim-directeur. Hij brengt rust en heeft kennis van zaken. De teamleden en de andere directeuren in de koepel geven aan dat zijn expertise gewaardeerd wordt. Daarnaast biedt hij een blik van buiten en brengt hij nieuwe inzichten met zich mee.” Goed werk “Ik heb een duidelijke resultaatopdracht gekregen en daar ben ik mee aan de slag gegaan”, zegt Dirk Bosch, sinds drie maanden interim-directeur bij Ronduit. “Bij de telling van 1 oktober viel op, dat in verband met een aangepaste prognose van het aantal leerlingen, de formatie niet overeenstemt. Met andere woorden: er werken hier teveel mensen. Dat bespreek ik dan met het bestuur.” Daarnaast ziet Bosch dat het ondersteuningsbeleid op de verschillende locaties sterk leerlinggericht is. “De evaluatie op leerlingniveau doen ze echt goed. Maar op het gebied van evaluatie op groeps- en schoolniveau is er nog genoeg te doen. Wat nodig is, is een helicopterview. Het is belangrijk dat de school daaraan gaat werken, zeker met het oog op het nieuwe beleid, en dat bespreek ik ook met het bestuur.” Natuurlijk gaat Bosch niet zomaar mensen ontslaan. “Dat is vaak het beeld van de interimmer, dat die er vooral is om de bezem door een organisatie te halen. Maar zo gaan we het hier niet doen. We gaan wel een plan maken en kijken hoe we het personeelsbestand gefaseerd kunnen laten teruglopen. Er is veel vraag naar leraren, zeker in het speciaal onderwijs, dus we gaan geen mensen werkloos maken.” Een ander beeld dat bestaat van de interim-manager is dat het dure jongens zijn. “Dat is zo”, zegt Bosch openhartig. “Ik ben duurder dan een gewone directeur. Ik weet dat ik goed werk moet leveren, want het kost de school best veel. Ik mag er geen zootje van maken, ik moet kwaliteit leveren.” Een goede match Nu veel directeuren met pensioen gaan, hebben veel scholen moeite de directeursfunctie in te vullen. Ook is de werkdruk in het onderwijs hoog en spelen er soms ingewikkelde vraagstukken, waarbij de directeur extra ondersteuning nodig heeft. Daarom wordt er vaker dan pakweg tien jaar geleden een beroep gedaan op een interim-directeur. Dat merkt ook B&T. “Vooral in het speciaal en voortgezet speciaal onderwijs is het moeilijk om de juiste mensen te vinden”, zegt senior adviseur Nienke Pol. “De leerlingen van het speciaal onderwijs vormen een aparte en complexe doelgroep, en sinds de Wet Kwaliteit VSO is kwaliteitsbeleid een belangrijk thema voor dit type onderwijs.” De kwaliteit van de interim-manager is zeer belangrijk en daarom laat B&T interim-directeuren ondersteunen door een ‘schaduwmanager’. Nienke Pol is zo’n schaduwmanager. “Schaduwmanagement is een methode om kwaliteit te garanderen. Zie het als een soort keurmerk. Wij zijn bij het eerste contact met de opdrachtgever en de interim-directeur, en we bespreken tussentijds met het bestuur de voortgang.” Voor een interim-manager is het belangrijk dat ze niet alles alleen hoeven op te lossen. “Iedere school is weer anders, iedere context is anders”, zegt Pol. “Met een schaduwmanager kan de interim-directeur sparren, het is iemand die met je meedenkt over de manier waarop je een bepaald probleem aanpakt.” Pol heeft zelf een achtergrond in het (voortgezet) speciaal onderwijs. “Ik ken veel VSO-scholen en veel interim-managers, ik kan een goede match tussen school en directeur vinden. Daarnaast kan ik interimmers met elkaar in contact brengen als ze vergelijkbare problematiek tegenkomen. Interim-management kan een eenzame klus zijn en je komt soms complexe vraagstukken tegen.” Pol verwacht dat de interim-managers voor wie B&T bemiddelt, aan de bel trekken als het spannend wordt. “Ik hoef niet iedere week een rapport, maar ik wil wel in grote lijnen weten hoe een opdracht verloopt. De interim-managers zijn professioneel genoeg om te weten waar de risico’s zitten en zaken aan me voor te leggen als dat nodig is.” Pol vindt dat een goede interimmer meer doet dan op de winkel passen. “Een goede interim-directeur heeft verstand van zaken, kan feedback geven op alles wat zich op de school voordoet, en heeft een brede blik. Die blik van buiten is vaak interessant voor scholen en besturen.” zie ook https://www.vbent.org/publicaties/actueel/interim-directeur-brengt-rust-en-continuiteit/

De schoolleider houdt alle ballen in de lucht

De schoolleider houdt alle ballen inde lucht School- en jaarplannen schrijven, de onderwijsinspecteur te woord staan, vervanging regelen. Roosters maken, ouders spreken, leraren coachen. Begrotingen maken, zorgen voor goede ictfaciliteiten, keuzes maken in het curriculum. Overleggen met de gemeente, samenwerken met het schoolbestuur, zorg- en kinderopvangpartners. En soms ook een verbouwing begeleiden of de pers informeren. Een schoolleider kan maar beter een veelzijdig persoon zijn. Erkenning en waardering voor (adjunct-)directeuren blijft achter, vindt de AVS. Daarom zijn acties door en voor schoolleiders noodzakelijk. Uit een recente peiling van de AVS en uit andere onderzoeken blijkt dat er een schoolleiderstekort dreigt in het primair onderwijs. De gemiddelde leeftijd van de schoolleider is 55+ en aanwas is er nauwelijks. Een goede salariëring kan helpen de belangstelling voor en aantrekkelijkheid van het schoolleiderschap te vergroten. In de huidige cao-afspraken voor het primair onderwijs is niet voor alle functies één lijn getrokken in beloning. AVS-voorzitter Petra van Haren: “Het kan niet zo zijn dat een leidinggevende minder verdient dan een leerkracht, terwijl zijn verantwoordelijkheid veel groter is.” (zie factsheet met salarisvergelijking leidinggevenden en leraren primair onderwijs op www.avs.nl/factsheetsalarisvergelijking) Ook is niet altijd helder welke taakomschrijving hoort bij het begrip ‘schoolleider’. De leaflet schoolleider geeft een beeld! leaflet_schoolleider  

Meer maatwerk en samenwerking nodig. Alleenstaande minderjarige vluchtelingen

Regelmatig naar school gaan. Voor veel alleenstaande minderjarige vluchtelingen (amv-ers) is dat allesbehalve eenvoudig. Het lukt hen om uiteenlopende redenen niet elke dag op school te verschijnen en dus is het verzuim vaak problematisch. Dat tij moet gekeerd, want net als voor alle jongeren geldt ook voor hen dat hoe beter ze worden opgeleid, hoe beter hun positie vervolgens op de arbeidsmarkt. Goede – en tijdige – samenwerking tussen school, mentor, voogd, jeugdgezondheidszorg en leerplichtambtenaar  is een belangrijke voorwaarde voor een kansrijke aanpak. ‘Ze hebben een traumatische reis doorstaan. Eritrese vluchtelingen bijvoorbeeld zijn bang geweest om gearresteerd te worden door de militaire politie in eigen land bij hun poging Sudan te bereiken, in handen te vallen van mensenhandelaren terwijl ze proberen Libië te bereiken, en voor verdrinking. Als ze dan veilig in Nederland zijn, storten ze in. Ze worden depressief, onzeker, ze kampen met heimwee en verdriet’, vertelt Audrey Felter, leerplichtambtenaar in Amsterdam. Zij en haar collega Habtom Kidane zien dat minderjarige vluchtelingen zoveel problemen hebben dat de schoolgang erbij inschiet. Contact Naast een dramatische vluchtervaring speelt het grote verschil in cultuur tussen het herkomstland en Nederland een grote rol. Habtom Kidane, zelf van Eritrese afkomst, legt uit: ‘Eritrese jongeren zijn gewend om te werken en te zorgen voor hun broertjes en zusjes en soms ook hun ouders. Ze verwachten dat ze hier snel een baan krijgen en dan geld kunnen verdienen om naar huis te sturen. Maar eenmaal in Nederland blijkt dat ze hun ervaring als automonteur niet kunnen inzetten, dat ze Nederlands moeten leren en dat er nog veel meer hier totaal anders is dan in Eritrea.’ Voor de Syrische vluchtelingen geldt vaak dat zij een goede vooropleiding hebben gehad en verwachten in Nederland snel naar de universiteit te kunnen gaan. ‘Als dat niet lukt, dan zoeken ze soms hun heil buiten het onderwijssysteem’, zegt Felter. Kidane en Felter pleiten ervoor dat er meer maatwerk wordt ontwikkeld voor deze jongeren. Zo zouden ze na aankomst in Nederland een maand of twee de tijd moeten krijgen om stap voor stap de Nederlandse samenleving te leren kennen. ‘Wel de taal leren en burgerschapsvaardigheden bijbrengen, maar niet in een schoolse setting’, zegt Felter. ‘Daarnaast zou er meteen psychologische hulp moeten zijn.’ Kidane: ‘Eritrese jongeren zijn vaak praktisch ingesteld. Daar kun je gebruik van maken. Als ze bijvoorbeeld in een verzorgingshuis met maaltijdverzorging kunnen helpen, leren ze sneller Nederlands omdat daar ook Nederlanders zijn zonder migratie-achtergrond, ze leren koken, dat is handig als ze zelfstandig gaan wonen en ze doen sociale vaardigheden op. Dat zou de gemeente kunnen organiseren.’ Ook kan de communicatie tussen de verschillende betrokken instanties beter. Felter: ‘Het zou goed zijn als we in een eerder stadium al contact hebben met begeleiders, bijvoorbeeld op het moment dat een jongere bij Nidos is aangemeld. Nu komen de mentor van de wooneenheid en de voogd pas in beeld als een jongere al een tijdje verzuimt. Er is nu ook wel overleg met alle instanties, maar dat is naar mijn gevoel te weinig effectief.’ Maatwerk Een van de voogden van Nidos, de jeugdbeschermingsinstelling voor vluchtelingen, is Desiree Smits. ‘Jongeren die aankomen in een asielzoekerscentrum worden, nadat zij de algemene asielprocedure hebben doorlopen, zo snel mogelijk geplaatst in een woongroep of kamertraining. Als voogd onderhoud ik het contact met de jongere, de mentor van de woongroep en de mentor van de school en sta ik de jongere bij in de procedures.’ Het is vaak een weloverwogen besluit geweest om de jongere op reis te laten gaan. Smits: ‘Ze hebben dan een opdracht, ze moeten zorgen dat ze een verblijfsvergunning krijgen en hun familie kunnen laten overkomen. Dat nemen ze zeer serieus, de druk van de familie is groot.’ Omdat de asielprocedure is aangescherpt wordt het voor jonge asielzoekers lastiger om een vergunning te krijgen, merkt Smits. ‘We zien nu bij Eritreëers dat ze vaker in de Verlengde Asielprocedure komen of worden afgewezen. Belangrijke oorzaken van schoolverzuim zijn dan ook stress en onzekerheid.’ Om het schoolgaan van de jongeren positief te beïnvloeden, is er meer differentiatie nodig, vindt Smits. ‘Onze jongeren komen uit verschillende landen met een verschillende onderwijsachtergrond en ze hebben verschillende verwachtingen. Syriërs willen meestal zo snel mogelijk naar de universiteit. Eritreeërs kennen het hele schoolsysteem niet en zijn vaak laaggeletterd of analfabeet. Maar ze komen in dezelfde ISK (Internationale Schakel Klas, red.) om Nederlands te leren. Syriërs vinden dat vaak frustrerend, die voelen zich niet op waarde geschat en als dan ook de gezinshereniging niet opschiet, kunnen ze hun motivatie verliezen. Voor Eritreeërs gaat de school te snel, ze snappen niet wat er van ze verwacht wordt, en vallen daarom uit. Wat we missen is maatwerk.’ Ook de rol van de ouders is belangrijk. ‘Onze jongeren verblijven weliswaar zonder ouders in Nederland, maar in hun dagelijks leven heeft het achtergebleven netwerk nog steeds een plaats. Vanuit Nidos proberen we ouders van jongeren actief te betrekken bij het  verblijf van hun kinderen hier. Zo kunnen ouders hen stimuleren naar school te gaan. Syrische kinderen hebben vaak zeer regelmatig contact met ouders, Eritreeërs meestal niet. We zien dat het helpt als wij contact hebben met de ouders.’ Een succesvolle vorm van differentiatie is een combinatie van leer-werkervaringen. Hiervoor zijn stageplaatsen nodig. ‘Hier in Tilburg is een Afghaans restaurant, dat wordt gerund door een familie die zelf is gevlucht. Zij verzorgen veel stageplekken voor ons. Ze fungeren als rolmodel en laten zien dat het belangrijk is om een diploma te hebben. En meer divers personeel op de scholen zou, denk ik, ook helpen.’ Netwerk verbreden ‘Sommige jongeren vertonen echt problematisch verzuim’, zegt Ad Raaijmakers, teamcoördinator bij Sterk Huis, de opvangorganisatie voor onder meer jonge vluchtelingen. Alleenstaande minderjarige vluchtelingen komen vaak terecht in een Kleinschalige Wooneenheid, een eengezinswoning waar plek is voor vier jongeren. Deze jongeren moeten behoorlijk zelfstandig zijn, want per dag is maar ongeveer drieënhalf uur een mentor aanwezig. ‘Vooral Eritrese vluchtelingen baren ons zorgen. De Syrische jongeren zijn schoolgang gewend en ze zijn gemotiveerd en ambitieus. Eritrese jongeren komen uit een heel

Visies met lef

Visies met lef Hoe ziet het primair onderwijs eruit in 2030? Dat vroeg de AVS in een ledenpeiling rond een van de lerarenstakingen. Want naast betere salarissen en minder werkdruk – die beslist ook nodig zijn! – is het voor leidinggevenden in het onderwijs belangrijk om een visie neer te zetten. Een visie met lef. Aan visie geen gebrek onder leidinggevenden in het onderwijs. De AVS ontving maar liefst 72 visies op de toekomst van het onderwijs. Daarin zijn een paar duidelijke trends te ontwaren. Zo voorziet een groot deel van de schoolleiders dat het eigenaarschap van het leerproces in de toekomst bij de leerlingen zelf ligt. Het leerstofjaarklassensysteem zal verdwijnen en daarvoor in de plaats komt gepersonaliseerd leren. Natuurlijk wordt daar moderne technologie voor ingezet. Opvallend is dat naast ict-vaardigheden – die in 2030 vanzelfsprekend in het curriculum zijn opgenomen – er in de toekomst veel aandacht zal gaan naar zaken als talentontwikkeling en persoons- en burgerschapsvorming. Doorlopende leerlijnen zijn in 2030 vanzelfsprekend. Verder zien veel leidinggevenden de vorming van een integraal kindcentrum als dé manier om een breed aanbod aan onderwijs- en andere activiteiten te kunnen realiseren, zijn ouders in de toekomst nog meer betrokken bij het onderwijs, zijn de schooltijden verruimd en kunnen vakanties flexibel worden ingepland. En natuurlijk is de school in 2030 inclusief. Inclusiviteit centraal “Inclusiviteit zou centraal moeten staan. Wat heeft dit kind nodig en wat moet ik daar als leerkracht, intern begeleider of directeur voor doen? We moeten werken aan een inclusieve mindset en denken in mogelijkheden”, schrijft Johan Vroegindeweij, directeur van samenwerkingsverband Unita in de regio Gooi en Vechtstreek in zijn visie. “Een inclusieve maatschappij begint bij een inclusieve school”, zegt hij. “We doen nu soms of kinderen een soort treintje vormen en als we de laatste wagon te traag vinden, koppelen we die af. Ik wil dat we die laatste wagon erbij houden in ons denken en handelen. Want als de traagste is afgekoppeld, is een andere wagon de traagste.” De kinderen in de gemeenten Blaricum, Eemnes, Gooise Meren, Hilversum, Huizen, Laren, Naarden en Wijdemeren gaan dan ook als het even kan naar het reguliere basisonderwijs. Met een ‘inclusieve mindset’ en ‘denken in mogelijk­heden’ bedoelt Vroegindeweij dat er een bredere kijk op onderwijs en zorg nodig is. “We moeten over onze grenzen heen kijken en ons afvragen wat we wél kunnen. Wij hebben met gemeenten, zorgsectoren en schoolbesturen recent een inspiratiebijeenkomst gehouden om gezamenlijk te benoemen aan welke items we willen werken. We willen van elkaar weten wat we doen, zodat we snel kunnen schakelen. Neem een leerling die dat in groep 4 nog niet zindelijk is. Wat is hier aan de hand? Misschien is er specialistische hulp nodig om ouders te helpen dit kind zindelijk te maken, misschien is er een medisch probleem of een ontwikkelingsstoornis. Maar we willen dit kind ook op de reguliere school hebben en dat kan door zorgtaken te verdelen. Die mindset bedoel ik. Denk in mogelijkheden en spreid de taken over leerkracht, ouders en zorgprofessional.” Leren leren Bea Vos, schoolleider van basisschool De Nieuwe Link, onderdeel van Filios scholengroep in Oss, vindt dat het onderwijs van de toekomst vooral gericht moet zijn op het proces van het leren. Zij schrijft: “Door inspanning kun je jezelf verbeteren. We moeten onze leerlingen een kritische, vragende houding bijbrengen.” Op basisschool De Nieuwe Link stelt de leerkracht van de bovenbouw aan het begin van ieder schooljaar samen met het kind en de ouders het leerdoel en het persoonlijke doel vast. De school zorgt voor goed onderwijs dat aansluit op het vervolgonderwijs en dat leerlingen uitdaagt hun talenten te ontwikkelen. “We willen dat de leerlingen leren metadenken. Ze moeten in de onderbouw de toolsleren waarmee ze in de bovenbouw opdrachten kunnen aanpakken”, zegt Vos. “Denk bijvoorbeeld aan het maken van een mindmap.” Methodes worden steeds minder belangrijk in het leerproces. “De leerstoflijnen zijn belangrijk, niet de methode”, zegt ze. “Leerkrachten hebben kennis van de leerstoflijnen en van de manier waarop kinderen leren. Leerkrachten gaan zichzelf meer zien als coach. Ze stimuleren leerlingen in hun denken door de juiste vragen te stellen. De zone van naaste ontwikkeling is daarbij een waardevol concept. In het kleuteronderwijs is dat al heel lang gangbaar, in de andere bouwen behoeft dit doorontwikkeling. Ook concepten als een betekenisvolle context en een rijke leeromgeving kunnen verder doorontwikkeld worden.” Om te kunnen leren is het belangrijk dat fouten maken mag, zelfs moet. “Een dag geen fouten gemaakt, is een dag niet geleerd”, zegt Vos. “Alle kinderen hebben uitdaging nodig om te leren leren. Ze moeten zich kunnen vastbijten in een probleem en ervaren dat ze iets nog niet kunnen.” Breed aanbod in IKC De omgeving van de school – de wijk, ouders, sport-, muziek- en andere verenigingen – speelt een belangrijke rol in de toekomstvisie van Bart Caris, directeur van IKC Leuken. In dit vorig jaar geopende integrale kindcentrum zijn naast een basisschool een dagopvang voor kinderen tot 4 jaar en buitenschoolse opvang gehuisvest. Caris schrijft in zijn visie: “In 2030 werken professionals, ouders en kinderen samen. Dit kan niet anders dan in de vorm van een integraal kindcentrum, waar kinderen een breed aanbod van onderwijs en andere activiteiten krijgen, gedurende een langere dag. Kinderen ontwikkelen zich niet alleen op school, maar ook op sportvelden, in een kunstcentrum of bij andere IKC’s.” Samenwerking met de organisaties in de wijk is vanzelfsprekend en ouders spelen ook nu al een grote rol. Caris: “Bij ons geven ouders soms gastlessen, bijvoorbeeld over gezond gedrag. Ook is er een ouderklankbordgroep, waarin we sparren we over ideeën om het onderwijs en de opvang te verbeteren.” Als schoolleider geeft Caris leiding aan zowel de leerkrachten als de pedagogisch medewerkers van de buitenschoolse opvang. “Samen met de assistent-leidinggevende van de opvang heb ik de leergang Directeur IKC* gevolgd bij het AVS Centrum Educatief Leiderschap”, vertelt hij. “Ik deel ook mijn kantoor met deze assistent-leidinggevende. In het begin was het wennen, maar langzamerhand groeien we naar elkaar toe. Doordat we over en weer bij elkaars teams over ons werk hebben gepraat, is

Een goede schoolleider maakt teamleden zelf verantwoordelijk

Een goede schoolleider maakt teamleden zelf verantwoordelijk Een goede schoolleider bemoeit zich nauwelijks met de dagelijkse gang van zaken op de school, want de leraren zijn professionals en kunnen problemen prima zelf oplossen. Buiten de lijntjes kleuren, een helikopterview hanteren, mensen met elkaar verbinden, ‘werkgeluk’: dat zijn de belangrijkste begrippen op het AVS-congres 2018, dat 16 maart plaatsvond in Nieuwegein. Een impressie. ‘Leiderschap in evenwicht’ is het thema van het 24e congres van de Algemene Vereniging Schoolleiders (AVS). “Het ontwikkelen van persoonlijk leiderschap is een belangrijke keuze”, zegt AVS-voorzitter Petra van Haren in haar jaarrede. “Een krachtige invulling van de positie van de schoolleider is cruciaal voor de kwaliteit van het onderwijs.” Onderwijs dat in een turbulente tijd verkeert. Zo is er sprake van werkdruk en een lerarentekort. “Het is terecht dat mensen die kiezen voor werken in het funderend onderwijs professionele ruimte verwachten en een passende beloning naar werkniveau”, zegt Van Haren. “Dat het werk wordt gedaan met passie kan niet betekenen dat een breed palet aan onontkoombaar vrijwilligerswerk vanzelfsprekend wordt geacht. Ook kun je dit werk niet alleen waarderen met een mooie bos bloemen of en boekenbon op zijn tijd!” Een uitspraak die met applaus wordt begroet. Focus Werkdrukverlaging en salarisverhoging: dat zijn de twee doelen van PO in actie en van het bredere PO-front, waarvan onder andere de AVS deel uitmaakt. AVS-vicevoorzitter Ingrid Doornbos vraagt Jan van de Ven en Thijs Roovers, de gezichten van de Facebookgroep die een vakbond werd, naar de manier waarop zij vormgeven aan hun leiderschap. “Jan was al begonnen en had zich verdiept in de materie, ik ben degene die het leiderschap pragmatisch invult”, zegt Roovers. “Wat het sterk maakt, is dat de focus ligt op die twee doelen”, zegt Van de Ven. “Natuurlijk speelt er meer, maar dit zijn de doelen waarop 45.000 mensen zijn afgekomen.” Beiden waren al enige tijd ook buiten de school bezig met onderwijs, onder meer als dagvoorzitter en organisator van bijeenkomsten van leraren. Van de Ven: “Een formele rol was niet het plan. Maar we willen aan de cao-tafel zitten, omdat we er geen vertrouwen in hebben dat het zonder ons ook wel goed komt. Een formele rol pakken is ook een vorm van leiderschap.” Van onderhandelen naar co-creatie De centrale inleiding komt dit jaar van Jeroen Busscher, consultant, columnist en spreker. Hij plaatst twee stoelen tegenover elkaar en vertelt dat we moeten kijken naar de relatie tussen twee mensen. “Zo ziet het er nu uit. Leidinggevende en medewerker of opdrachtgever en leverancier zitten tegenover elkaar en onderhandelen over wie wat doet. Als we de standpunten hebben uitgewisseld, sluiten we een deal. Maar dat impliceert dat we een masterplan hebben waar de medewerker of de leverancier in moet passen. Dat is niet meer zo. De posities zijn veranderd, medewerkers zijn professionals geworden en zelf verantwoordelijk.” Daarom moeten de stoelen naast elkaar worden gezet. “Nu kunnen we uitwisselen hoe we de werkelijkheid zien. In het midden zit overlap, daar zien we hetzelfde. Zo gaan we van onderhandelen naar co-creatie.” Daar komt bij dat een leider niet het definitieve antwoord heeft, want de werkelijkheid beweegt zich in een onbekende richting. Het doel wordt een moving and morphing target, het beweegt en verandert tegelijk. Dat betekent dat een schoolleider steeds op zoek moet zijn naar vernieuwing en creativiteit. Maar Busscher stelt vast dat de directeur meestal achter de computer te vinden is, bezig met ‘de dagelijkse context’. Is dat heus nodig? Zelf heeft hij een map ‘zelf oplossende problemen’ aangelegd. “De zogenoemd zop-map. Negentig procent van de e-mails die je ontvangt kun je rustig doorzetten naar die map. Daar hoor je nooit meer iets van.” Leidinggevenden moeten zich niet te veel bemoeien met de werkvloer, raadt Busscher zijn publiek aan. “Als een leraar naar je toe komt met een probleem, dan zeg je: ‘O.’ Loopt alles in de soep? ‘O.’ Krijg je het boek niet uit dit jaar? ‘O.’ Dan gaan de mensen zelf hun problemen oplossen.” Albertine Minnigh is dit jaar voor de eerste keer aanwezig op het AVS-congres. Zij is duo-schoolleider op basisschool De Fontein in Mijdrecht. Het beeld van twee stoelen naast elkaar spreekt haar aan. “Ik wil samen nagaan welke werkelijkheden we zien, welk doel we voor ogen hebben en waar we samen kunnen optrekken. Ik wil leraren hun verantwoordelijkheden geven. We kunnen elkaar aanvullen. Deze inleiding geeft me handvatten om daarover het gesprek aan te gaan.” Werkgeluk De congresdeelnemers kiezen na de centrale inleiding hun eigen route uit drie plenaire sessies en 27 workshops. In de plenaire ochtendsessie ‘Van werkdruk naar werkgeluk’ legt Clara den Boer uit hoe schoolleiders en leraren zelf kunnen werken aan het verminderen van werkdruk. “De leraar ervaart veel werkdruk, maar ook veel werkgeluk. Wie werkgeluk ervaart doet werk dat betekenis heeft, kan zijn talenten erin kwijt en heeft plezier met collega’s. Veel leraren hebben passie voor hun vak, dat draagt bij aan het werkgeluk.” Maar objectieve of subjectieve werkdruk kunnen het geluk vergallen en het is belangrijk dat we daar aandacht aan schenken. “Rugpijn, transpiratie, slecht slapen, gebrek aan concentratie, geheugenverlies, obstipatie: allemaal gevolgen van objectieve werkdruk”, zegt Den Boer. “Dat kun je het hoofd bieden door een focus aan te brengen in je werk, door keuzes te maken, grenzen aan te geven en om hulp te vragen. Vooral dat laatste is iets wat we niet gauw doen, dat moeten we echt leren.” Subjectieve werkdruk ontstaat door irrationele gedachten, zoals perfectionisme, rampscenario’s, een lage frustratietolerantie waarbij iemand te snel opgeeft als iets niet meteen lukt, aardig gevonden willen worden en je irriteren aan anderen die gemaakte afspraken negeren.” Den Boer legt uit dat het bij geluk niet gaat om genieting, maar om duurzaam geluk. Dat haal je uit het stellen en stilstaan bij het behalen van persoonlijke doelen, het vertonen van vriendelijk gedrag en het uiten van dankbaarheid. Ze eindigt met tips: doe waar je goed in bent, volg je droom, wat niet kan doe je gewoon niet, koester je relaties en geef geluk door. “En tot slot: kleur buiten de lijntjes. Doe

Relatie schoolleider en schoolbestuurder

‘Het mag schuren, maar eerlijkheid en gelijkwaardigheid zijn belangrijk’ Een goede relatie tussen schoolleider en bestuurder is belangrijk voor de onderwijskwaliteit, blijkt steeds opnieuw uit wetenschappelijk onderzoek. Maar hoe ziet zo’n goede relatie eruit? Kader Primair gaat erover in gesprek met schoolleider Winet Roels van basisschool Dr. Landman in Helvoirt en haar bestuurder Marleen Huisman van de Stichting Katholiek Onderwijs Haaren. De relatie tussen bestuurder en schoolleider doet ertoe voor de kwaliteit van het onderwijs. Onderzoek naar die relatie laat zien dat bestuurders van goede scholen bouwen aan onderling vertrouwen en aan een gedeelde visie bij schoolleiders en stafmedewerkers. In Helvoirt werken de schoolleiders van basisscholen de Klim-op, Dr. Landman, Franciscus en Willibrordus intensief samen, met elkaar en met het bestuur. Wat is belangrijk in de relatie tussen schoolleider en bestuurder? Schoolleider Winet Roels: “Zes jaar geleden werd ik locatiemanager van een van de scholen van SKOH, Stichting Katholiek Onderwijs Haaren. Marleen Huisman was destijds nog bovenschools directeur. Wat ik in de samenwerking ervoer was eerlijkheid, directheid, openheid, autonomie en gelijkwaardigheid. Dat zijn belangrijke waarden voor mij en het is belangrijk dat het bestuur die waarden deelt.” Bestuurder Marleen Huisman: “Om het team van deze school verder te versterken, was het nodig dat er iemand kwam die meer verantwoordelijkheid bij de leerkrachten wilde leggen. De vorige schoolleider was sterk gericht op het welbevinden van mensen en het team was eraan gewend geraakt dat er iemand voor hen zorgde. Dat wilden we loslaten.” Roels: “Professionaliteit en autonomie zijn belangrijk in relaties. Ook in de relatie met de leerkrachten. Als een teamlid bij mij komt met een probleem, draag ik niet direct oplossingen aan. Ze moeten zelf een antwoord vinden.” Huisman: “De eerste tijd kwamen daar vragen over. Met de schoolleiders hebben we gepraat over manieren waarop we de autonomie en het probleemoplossend ­vermogen van leerkrachten kunnen versterken. Iedere directeur heeft een eigen stijl, we kunnen elkaar spiegelen en van elkaar leren.” Hoe is het bestuur van SKOH ingericht? Huisman: “Sinds januari van dit jaar ben ik uitvoerend bestuurder en verantwoordelijk voor alles. De lijntjes tussen de schoolleiders en mij zijn kort. Ieder schooljaar maken we met elkaar een A3 waarop de ‘succesbepalende factoren’ staan, de doelen waar we voor willen gaan. Dat is een gezamenlijke focus, met ruimte voor eigen schoolontwikkeling. Gedurende het lopende jaar maken we een lijstje voor het jaar daarop. Samen prioriteren en ons nieuwe jaarplan ontwikkelen helpt om die gezamenlijke focus te bewaken. Als bestuurder heb ik daarnaast te maken met een Raad van Beheer, die bestaat uit ouders. Met hen vergader ik elke maand. De Raad van Beheer kijkt en denkt mee over wat we nodig hebben. Het zijn mensen met verschillende expertises, die waardevolle feedback geven. Twee keer per jaar is er een vergadering van de Raad van Beheer en de directeuren samen.” Hoe ziet de rol van de bestuurder er in de praktijk uit? Huisman: “Als bestuurder wil ik dienstbaar zijn. Gezamenlijk nemen we verantwoordelijkheid voor het geheel in het directeurenoverleg. Daarnaast heeft iedere directeur eigen speerpunten. Ik ondersteun hen daarbij, help ze bedenken wat hun volgende stap kan zijn. Ik wil dat mensen zich vanuit hun kracht verder ontwikkelen, ook als dat betekent dat schoolleiders vertrekken. Daarnaast ondersteun ik ook de intern begeleiders; ik woon bijvoorbeeld hun overleg bij. Ik ben dan niet ­bepalend, wel kijkend en luisterend.” Roels: “We voeren ook samen de voortgangsgesprekken met de ib’ers en de adjuncten.” Huisman: “Mobiliteit moet je nooit opleggen. Ik wilde bijvoorbeeld graag dat een van de ib’ers op een andere school ging werken. ‘Maar ik ben hier nog niet klaar’, zei ze. Ik help haar los te komen van de school, door een visioen te schetsen van wat er mogelijk is. Nu is ze overgestapt en ze is er blij mee. Ze had ook de keuze kunnen maken toch op de ‘oude’ school te blijven. Door het te laten zien, door het te begeleiden, is ze overgestapt. Dat Winet eveneens van de ene school naar de andere is gegaan, geeft leerkrachten vertrouwen om ook zo’n stap te maken.” Hoe ‘bovenschools’ is de blik van de schoolleiders van SKOH? Hoe werken de scholen samen en hoe gaat het als één school bijvoorbeeld om meer geld vraagt? Roels: “Ik kijk natuurlijk naar wat deze teamleden nodig hebben, maar ik kijk ook bovenschools. Toen we startten met de nieuwe organisatievorm in deze stichting, hebben de vier schoolleiders om de week overlegd over dagelijkse dingen en zaken waar we tegenaan liepen. We draaiden een dagje met elkaar mee om te kijken hoe de andere scholen reilen en zeilen en gaven elkaar feedback. We hebben ook ‘maatjeswerk’, waarbij je bijvoorbeeld samen de begroting doorneemt voor het nieuwe schooljaar. We weten daardoor goed hoe het op alle scholen gaat.” Huisman: “We hebben samen een traject gevolgd over ongewoon goed vergaderen, over de manier waarop je creatief denken kunt stimuleren en ervoor zorgt dat iedereen de ruimte krijgt. Daarbij doet ook het middenmanagement mee. Want zoals ik autonomie geef aan de schoolleiders, zo leggen de schoolleiders dit weer bij de leerkrachten.” Roels: “Op de scholen zijn geen traditionele teamvergaderingen meer. Op de Landman scrummen we over concrete vraagstukken. Andere scholen hebben een andere vorm gekozen. Ik zie de stichting meer als één school met vier locaties, dan als vier losse scholen. We spreken van tevoren af welke resultaten we willen behalen. Er is nu een school die kleinere groepen maakt en dus een extra leerkracht nodig heeft. Dat kost ons geld.” Huisman: “Bij een inspectiebezoek moet ik me verantwoorden. Als de resultaten van een school niet voldoende zijn, dan moeten daar extra middelen naartoe. Dat bespreek ik met de schoolleiders. Een schooldirecteur die zegt: ‘Ik heb vierhonderd leerlingen en ik wil het geld voor die vierhonderd leerlingen’, zou niet bij ons passen.” Roels: “Dat ga je zeggen als je je niet gesteund voelt. Alsje geld nodig hebt en je krijgt het niet. Maar je moet wel delen.” Wat gebeurt er als bestuurder en schoolleider het niet eens zijn? Roels: “Als de opvattingen sterk uiteen gaan lopen zullen we nagaan wat er aan de hand is. Zoiets gaat in fases,

Leerlingen met ernstige taalontwikkelingsstoornis naar het gewone vmbo

Leerlingen met ernstige taalontwikkelingsstoornis naar het gewone vmbo Ook scholieren met een ernstige taalontwikkelingsstoornis moeten zich goed kunnen voorbereiden op het vervolgonderwijs. In Arnhem krijgen leerlingen van vso Kentalis College De Stijgbeugel samen met leerlingen van de reguliere vmbo-school Maarten van Rossem les in praktijk- en profielvakken. “Er kwam een andere structuur in het vmbo en onze school kon de nieuwe profielen niet aanbieden. Daarnaast vroegen ouders en leerlingen om betere aansluiting bij het vervolgonderwijs”, vertelt Sander Pietersen, afdelingsdirecteur van vso-school De Stijgbeugel in Arnhem. De Stijgbeugel is een locatie van Kentalis, een organisatie voor onderwijs en zorg aan kinderen met een communicatieve en/of auditieve stoornis. De school verzorgt vmbo-onderwijs voor ongeveer tachtig leerlingen met een taalontwikkelingsstoornis (TOS). Deze leerlingen hebben woordvindings- en woordbegripproblemen en problemen met het uiten van taal. Voor leerlingen met TOS zijn drie onderwijsarrangementen beschikbaar: licht, medium en intensief. Kinderen met een licht en medium arrangement gaan – met extra begeleiding – naar een reguliere school. Een intensief arrangement betekent speciaal onderwijs. Pietersen: “Leerlingen die in de bovenbouw toekunnen met een medium arrangement, stromen door naar het regulier onderwijs. Zo worden ze beter voorbereid op een grotere schoolomgeving en doen ze vaardigheden op als zelfstandig werken en initiatief nemen. Voor de leerlingen met een intensief arrangement wilden we hier ook naartoe.” School-in-school Het concept ‘school-in-school’ houdt in dat derde- en vierdejaarsleerlingen met een intensief arrangement les krijgen op het Maarten van Rossem, deels in een eigen lokaal. Docenten van Kentalis geven de kernvakken en een deel van de profielvakken. De praktijkvakken en de rest van de profielvakken volgen deze leerlingen gezamenlijk met reguliere vmbo-leerlingen. Die lessen worden gegeven door docenten van het Maarten van Rossem. Een Kentalis-docent is daarbij aanwezig als extra begeleider en ondersteunt zowel de Kentalis- als de Maarten van Rossem-leerlingen. “Zo creëren we een win-winsituatie”, zegt Pietersen. “Onze leerlingen kunnen kiezen uit de profielen van het Maarten van Rossem en wennen aan een reguliere onderwijssetting, wat hen beter voorbereidt op het mbo. Het Maarten van Rossem profiteert van de extra handen in de klas.” In schooljaar 2014/2015 bedachten de toenmalige directeuren van Kentalis en het Maarten van Rossem het concept ‘school-in-school’. Dit werd nader uitgewerkt en een projectgroep organiseerde de voorwaarden, zoals het lokaal, de inzet van de docenten en roostertechnische kwesties. “We hebben ook gepraat met de leerlingen om wie het gaat. Wie zijn het, wat hebben ze nodig”, vertelt Dianne Sterk, afdelingsleider vmbo+ en ondersteuningscöordinator op het Maarten van Rossem. “Vervolgens zijn we snel aan de slag gegaan en hebben we de knelpunten die zich voordeden werkendeweg opgelost. In de zomer van 2016 is een samenwerkingsconvenant afgesloten tussen het Maarten van Rossem en Kentalis.” Grote verschillen De Kentalis-docenten zijn in een cursus voorbereid op hun rol als ‘co-teacher’ van reguliere vmbo-leerlingen. “Zij ervoeren grote verschillen”, vertelt afdelingsdirecteur Pietersen. “Het Maarten van Rossem is meer een afspiegeling van de maatschappij dan De Stijgbeugel en er heerst een minder beschermd pedagogisch klimaat.” Op het Maarten van Rossem stonden docenten in het begin wat terughoudend tegenover het concept. “Acht jaar geleden hebben wij een vmbo+ ingericht voor leerlingen die extra begeleiding nodig hebben. Nu komt er weer een pittige groep scholieren binnen”, verklaart afdelingsleider Sterk de aarzeling. “Maar de leerlingen zijn zeer gemotiveerd en de docenten vinden het prettig om les aan hen te geven. Ook de ondersteuning van de Kentalis-docenten vinden zij waardevol.” Wat heel belangrijk is in het proces, benadrukken Sterk en Pietersen, is het goed doorspreken van verwachtingen over en weer. “Er kan miscommunicatie ontstaan en dat kan tot teleurstellingen leiden”, zegt Sterk. Pietersen: “Even een overdracht tijdens een leswisseling is niet genoeg, er moet expliciet tijd en aandacht voor afstemming zijn. We hebben daarom een coördinator die zich bezighoudt met leerlingzaken.” Een pijnpunt dat de politiek moet wegnemen, is het verschil in beloning tussen de docenten. “Kentalis verzorgt speciaal onderwijs en daarmee vallen we onder de cao van het primair onderwijs”, zegt Pietersen. “Dat willen we graag oplossen, ook met het oog op de doorontwikkeling. Deze constructies zie je steeds meer ontstaan en wat we nodig hebben is een landelijk beleid.” ‘Vet gaaf’ De betrokken leerlingen en ouders zijn enthousiast over het school-in-schoolconcept. “Een meisje zei de eerste week al tegen me dat ze deze school ‘vet gaaf’ vindt”, zegt Sterk. “Eindelijk een gewone school, dat is wat je hoort.” Pietersen: “De leerlingen zijn zelfstandiger geworden. Ze gaan bijvoorbeeld nu meer met eigen vervoer naar school.” Gepubliceerd in Kader Primair 6, 8 februari 2018

Onderwijs en zorg voor EMB-kinderen komt straks uit één pot

Onderwijs en zorg voor EMB-kinderen komt straks uit één pot Het geld dat nodig is om zowel zorg als onderwijs te kunnen bieden aan kinderen met een ernstig meervoudige beperking (EMB) komt straks rechtstreeks van de rijksoverheid. Deze afspraak is opgenomen in het regeerakkoord van het kabinet Rutte III. Dankzij de inspanningen van directeuren van Mytylscholen.  “De financiering van zorg en onderwijs voor kinderen met een ernstig meervoudige beperking is nu nog sterk versnipperd”, vertelt Harry Hoekjen, directeur-bestuurder van Onderwijscentrum Leijpark in Tilburg. “Er zijn ongeveer 2.500 EMB-kinderen met in Nederland. Zij zitten meestal op mytylscholen en sommigen gaan naar scholen voor zeer moeilijk lerende kinderen. Het zijn leerlingen met een laag ontwikkelingsperspectief door een ernstige verstandelijke beperking, vaak met moeilijk te interpreteren gedrag en ernstige sensomotorische problematiek. Zonder uitzondering zijn het kinderen die naast extra onderwijsondersteuning ook veel medische zorg nodig hebben. Voor het onderwijsgedeelte komt de financiering uit de samenwerkingsverbanden, die allemaal een eigen systematiek kennen. De zorgkosten komen uit andere potjes, zoals de gemeenten en het persoonsgebonden budget. De energie en tijd die gaan zitten in het aanvragen van middelen, kun je beter besteden aan het geven van onderwijs.” Vereenvoudiging Op Onderwijscentrum Leijpark hebben 60 van de 325 leerlingen een ernstig meervoudige beperking. “Voor ieder kind moet je alle potjes langs”, zegt Hoekjen. “Ook andere mytylscholen lopen hier tegenaan. Daarom zijn we ons sterk gaan maken voor vereenvoudiging van de financiering. Met zo’n tien scholen en het Landelijk Expertisecentrum Speciaal Onderwijs LECSO hebben we contact gezocht met politici. Zo hebben we onder meer positieve gesprekken gevoerd met de ChristenUnie en is D66-kamerlid Paul van Meenen tweemaal bij ons op bezoek geweest. Vlak voor de presentatie van het regeerakkoord belde hij ons om te vertellen dat hierin de afspraak is opgenomen dat de ministeries van OCW en VWS samen de financiering voor onderwijs en zorg aan deze kinderen gaan regelen. Dat verraste ons en we zijn er blij mee.” Vorm De directeur-bestuurder heeft er alle vertrouwen in dat de ministeries met een goede oplossing komen. “Welke vorm de ambtenaren gaan uitdenken, daar bemoei ik me niet mee. Het belangrijkste is dat de financiering vanuit de rijksoverheid geregeld wordt. Het gaat om een beperkte groep; bij een lokale of regionale aanpak knip je het probleem op.” Ook EMB-kinderen binnen het reguliere onderwijs, die ambulante zorg nodig hebben, vallen onder de regeling. “De maatregel is generiek, maar voor een reguliere school is het bijna ondoenlijk om deze complexe zorg goed te organiseren.” Integraal aanbod De ambities van Hoekjen reiken verder. “Op termijn willen we toe naar een integraal aanbod van opvang, onderwijs en therapie”, vertelt hij. “Dit jaar zijn we bijvoorbeeld begonnen om samen met intensieve revalidatiezorg onderwijs aan te bieden aan kinderen met niet-aangeboren hersenletsel, die pril uit de behandeling komen. Met zorgverleners Siza en Amarant en revalidatiepartner Libra werken we nauw samen in ons onderwijscentrum. Straks willen we er ook in de weekenden zijn. De tijd is er rijp voor. De ouders vragen erom en de partners zoeken ons op.” Gepubliceerd in Kader Primair 4, december 2017. Zie voor meer informatie Passend onderwijs in het Regeerakkoord 

Nieuw inspectietoezicht vraagt om ambitieuze blik

Nieuw inspectietoezicht vraagt om ambitieuze blik Het nieuwe onderzoekskader van de Inspectie van het Onderwijs creëert kansen voor scholen met ambitie. Dat betekent wel een andere manier van kwaliteitsbeleid voeren. Op de door B&T in november in Amersfoort georganiseerde Regioconferentie kwaliteitsmanagement laten ongeveer dertig enthousiaste bestuurders, kwaliteitszorgmedewerkers, schoolleiders en intern begeleiders zich bijpraten over een nieuw type kwaliteitsbeleid. Kwaliteitszorg die alleen is gericht op controle en eindopbrengsten, is niet duurzaam. Aandacht voor innovatie en ontwikkeling is ook nodig. Maar de opbrengsten op die terreinen zijn moeilijker vast te stellen. “Harde criteria, zoals toetsresultaten, kunnen we goed meten”, zegt B&T-adviseur Tijmen Bolk in de plenaire aftrap van de conferentie. “Maar als je wilt ontwikkelen en groeien, gaat het ook om zachte criteria als socialisatie en persoonsvorming van de leerling. Tegelijk blijven de ‘harde criteria’ van belang. Het is nodig beide kanten van kwaliteitszorg in beeld te hebben: beheersen én ontwikkelen. De opdracht is om daarin een balans te zoeken.” Kwaliteitskwadranten Een manier om greep te krijgen op de tegenstrijdig lijkende eisen aan onderwijskwaliteit zijn de Kwaliteitskwadranten. Op de horizontale as staan links ‘control, borgen, verantwoorden’ en rechts ‘ontwikkelen, leren, innoveren.’ Principes die bij de ‘controlkant’ horen zijn onder meer ‘Weet wat werkt’, ‘Focus op negatieve afwijkingen’ en ‘Kaders sturen’. Aan de ‘ontwikkelkant’ staan daar principes tegenover als ‘Weet wat kan werken’, ‘Focus op het positieve’ en ‘Dialoog stuurt’. De principes gelden voor de school of een scholengroep, maar ook voor de medewerker. Zo ontstaat de verticale as: collectief versus individu. “Ik vind de Kwaliteitskwadranten erg interessant. Dit model zet je weer even op scherp.” (een deelnemer) gepubliceerd op 6 december 2017 op de website van B&T Lees het hele artikel Nieuw inspectietoezicht vraagt om ambitieuze blik 

Bescherming tegen hacken en lekken

Bescherming tegen hacken en lekken Scholen moeten na 25 mei 2018 voldoen aan de Algemene Verordening Gegevensbescherming. Dit betekent onder meer dat onderwijsorganisaties hun digitale leerlingvolgsystemen, toetsingsprogramma’s en inzet van sociale media en apps onder de loep nemen en een Functionaris Gegevensbescherming aanstellen. De wet Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) is in april 2016 aangenomen door het Europees Parlement en wordt van kracht in mei 2018. De wet vervangt de ‘oude’ wet Bescherming Persoonsgegevens uit 2001 en heeft als doel om privacybescherming beter te laten aansluiten op de technologische ontwikkeling en toenemende globalisering. Voor scholen heeft de nieuwe regelgeving op drie terreinen consequenties: omgaan met leerlinggegevens, het gebruik van digitale systemen en de beveiliging van apparatuur en programma’s. Daarnaast moeten scholen een Functionaris Gegevensbescherming aanstellen. Job Vos, jurist bij Kennisnet en expert op het gebied van privacy en informatiebeveiliging in het onderwijs, noemt privacybeleid een ‘breed en complex’ onderwerp. “Scholen gebruiken meerdere digitale middelen zoals een leerlingvolgsysteem en digitaal leermateriaal. De school is verantwoordelijk voor de gegevens die daarin omgaan. Het is belangrijk dat je privacy, gegevensbeveiliging en de beveiliging van je systemen in samenhang regelt. Ict is één proces. Ga niet ad hoc virussen bestrijden maar richt het in één keer goed in.” Overstapservice 96 procent van de scholen in het primair en voortgezet onderwijs is aangesloten bij de Overstapservice Onderwijs OSO, het overstapdossier met administratieve gegevens, zorggegevens, begeleidingsgegevens en informatie over leerresultaten. De technische uitvoering van OSO ligt bij Kennisnet. Via de sectorraden hebben scholen een contract met OSO. Dit contract moet aangepast worden en Kennisnet zal de scholen benaderen met het nieuwe contract. OSO gaat over de gegevensoverdracht tussen scholen, maar scholen wisselen ook gegevens uit met bijvoorbeeld Jeugdzorg. Vos: “Dat is toegestaan, mits het veilig gebeurt. Jeugdzorg werkt tegenwoordig vaak met wijkteams en daar zit ook de politie bij. Die mag dan niet met leerlinggegevens aan de haal gaan. Dat moet je goed afspreken. Het Nederlands Jeugdinstituut heeft hiervoor een handreiking ontwikkeld.” Omdat de overheid doorlopende leerlijnen belangrijk vindt, mogen scholen het Onderwijskundig Rapport blijven gebruiken. “Bij een warme overdracht is dat rapport het uitgangspunt”, zegt Vos. “De AVG maakt het transparanter. Scholen bespreken met ouders wat er wordt meegenomen. Ouders kunnen vragen gegevens te verwijderen, maar alleen als het gaat om gegevens die de school niet hoort te hebben.” Pseudoniem Leveranciers van digitale leermiddelen hebben leerlinggegevens nodig als naam en adres. Het gebruik van het studiemateriaal levert ook gegevens op als voortgang- en examenresultaten. Dat kan interessant zijn voor de leverancier, en daarom heeft de Tweede Kamer besloten dat leveranciers niet langer het persoonsgebonden nummer mogen gebruiken, maar een door Kennisnet gepseudonimiseerd nummer (keten iD). Dit nummer is niet herleidbaar tot een individuele leerling en wordt uitsluitend door geautomatiseerde (uitwisselings)processen gebruikt. Omdat het keten iD is gebaseerd op het persoonsgebonden nummer is wetgeving noodzakelijk. Vos: “Het blijft belangrijk beide nummers veilig op te slaan.” Voor scholen geldt dat de invoering van het keten iD zo veel mogelijk op de achtergrond plaatsvindt. Wel dient het schoolbestuur een bewerkersovereenkomst te sluiten met de voorziening die het keten iD aanmaakt. ‘Alle data zijn versleuteld’ “Een paar jaar geleden werden we geconfronteerd met een Ddos-aanval”, vertelt Antoon Fens, ict- coördinator van de Scholen Combinatie Zoetermeer SCZ (vo). “Dan besef je goed hoe kwetsbaar je systemen zijn. Je netwerk ligt plat en leerlinggegevens worden onbereikbaar.” Fens was toen al bezig in kaart te brengen welke digitale systemen op de drie scholen van de SZC gebruikt werden, welke gegevens waar waren opgeslagen en hoe ze werden beveiligd. “Die documentatie is een flinke klus, zeker in het begin. De SZC maakt deel uit van het netwerk Digidac. We hebben ons laten informeren door een expert van Kennisnet en zijn thema’s gaan bespreken als het privacyprotocol, de meldplicht datalekken en het protocol film-foto-camera. Samenwerking is belangrijk, dat raad ik echt aan.” Inmiddels zijn er op de SCZ flinke stappen gezet in de richting van beveiliging van persoonsgegevens, apparatuur en systemen. Alle data zijn versleuteld en naast gebruikersnaam en wachtwoord moeten medewerkers ook een ‘token’ invoeren om bij hun digitale bestanden te kunnen. Het Digidac-netwerk heeft een animatiefilmpje gemaakt over omgaan met persoonsgegevens, dat aan leraren wordt vertoond. Fens: “Op iedere school gebeuren dingetjes, zoals een wachtwoord op het digibord zichtbaar intikken of een USB-stick verliezen. Het bewust maken van collega’s is een belangrijk onderdeel van je ict-beleid.” Facebook en Whatsapp Scholen, ouders, leerlingen zelf: vrijwel iedereen ‘zit’ op Facebook. Maar het gebruik van Facebook door de school is wat Vos betreft een absolute no-go. “Als een kind zelf iets op Facebook zet, is dat niet de verantwoordelijkheid van de school. Maar het is onverstandig om als school op Facebook te zitten met een groep of klas. Facebook wordt eigenaar van de foto’s en kan dus foto’s van leerlingen gebruiken om bij een reclame voor snoep te zetten.” Het gebruik van Whatsapp ligt anders. De berichten die daarop worden geplaatst, worden geen eigendom van Whatsapp. Vos: “Scholen die Whatsapp gebruiken, moeten wel regels afspreken. Foto’s of gevoelige informatie, bijvoorbeeld over gezondheid, moet je niet delen.” Beveiliging De afhankelijkheid van ict brengt risico’s met zich mee, zoals hacken en datalekken. “Zorg dat je systemen veilig blijven”, zegt Vos. “Met beleid. De school of het bestuur moet een visie ontwikkelen en op alle computers dezelfde aanpak hanteren. Begin met in kaart brengen welke systemen de school gebruikt en welke gegevens die systemen gebruiken. Welke risico’s zitten daaraan vast? Als je alles in ParnasSys of Magister doet, is het belangrijk dat je die systemen als eerste beveiligt tegen hacken. Voor gevoelige systemen kun je bijvoorbeeld een andere opbouw van wachtwoorden afspreken dan voor minder gevoelige systemen.” Wanneer data op straat komen te liggen, kan een school een boete krijgen van 20 miljoen euro. “Dat betekent dat je dit serieus moet nemen”, aldus Vos. “Hacken en lekken kan de beste overkomen, maar je moet aantonen dat je je best hebt gedaan om goed te beveiligen. Als de laptop van de directeur kwijtraakt op 24 december, mag het niet tot

Oefenen in samenleven

Oefenen in samenleven Het onderwijs heeft meer houvast nodig bij burgerschapsvorming. De overheid zou duidelijker kunnen aangeven welke resultaten men van scholen wil zien rond gedeelde waarden of onderwerpen als de Holocaust, terrorisme of seksuele diversiteit. Het publieke belang dat groepen elkaar blijven ontmoeten – op school of erbuiten – verdient ook aandacht. Net als het vergroten van zelfredzaamheid en maatschappelijke weerbaarheid. Tekst Susan de Boer | Beeld Shutterstock ‘Samenleven wordt een belangrijk leerdoel,’ zegt Monique Turkenburg, programmaleider opgroeien en leren bij het Sociaal en Cultureel Planbureau SCP. ‘Gelet op demografische ontwikkelingen en migratiestromen zal de diversiteit in de samenleving steeds verder toenemen. En dat stelt nu eenmaal eisen aan hoe we met elkaar omgaan.’ Zo ziet inspecteur-generaal van het Onderwijs Monique Vogelzang het ook: ‘De school is de plek waar je samenleven in de praktijk kunt brengen.’ Toch komt de school als ontmoetingsplaats op de tocht te staan doordat mensen steeds meer in gescheiden werelden leven. Dat is een probleem, vindt Turkenburg. ‘Hoe meer mensen in homogene werelden leven, hoe minder begrip men voor elkaar heeft.’ Daarnaast kan de scheiding in werelden betekenen dat er globaal twee groepen ontstaan: mensen die alles goed voor zichzelf en hun kinderen kunnen regelen en mensen die dat minder goed kunnen. De verschillen tussen scholen nemen toe, stelt Vogelzang vast. ‘Het gezin waaruit een leerling komt, bepaalt steeds meer naar welke school een kind gaat. Hoogopgeleide ouders zijn meer bezig met de ontwikkeling van hun kind dan laagopgeleide en organiseren bij stagnatie sneller begeleiding. Wij vinden dat ieder kind maximale mogelijkheden moet krijgen om op ieder niveau te presteren. Dat willen scholen ook. Zij organiseren bijvoorbeeld steeds vaker zelf huiswerkbegeleiding, zodat een leerling minder afhankelijk is van wat de ouders kunnen bieden.’ Aandachtspunt Burgerschapsvorming kan helpen mensen bij elkaar te brengen, maar onderzoek laat zien dat de Nederlandse scholen burgerschapsonderwijs nog onvoldoende weten vorm te geven. ‘Alle scholen doen iets aan burgerschapsvorming, maar de kaders zijn ruim,’ zegt Vogelzang. ‘De overheid kan meer houvast bieden door duidelijker aan te geven welke resultaten men van scholen wil zien rond gedeelde waarden of onderwerpen als de Holocaust, terrorisme en seksuele diversiteit. Het gaat bij onderwijs niet alleen om de inhoud, maar ook om het publieke belang dat groepen elkaar blijven ontmoeten. Dat is echt een aandachtspunt.’ Ook kansenongelijkheid verdient aandacht: deze lijkt verder toe te nemen doordat ‘stapelen’, het na elkaar volgen van voortgezet onderwijs, middelbaar beroepsonderwijs en hoger onderwijs, minder plaatsvindt. Turkenburg: ‘Mbo’ers hebben vaak schuldvrees en zien daarom af van doorstuderen. Tegelijk zijn de doorstromende mbo’ers minder succesvol geworden op het hbo. Dat komt onder meer doordat het hbo-instellingen lang niet altijd lukt om studenten die zijn vastgelopen, weer vlot te trekken. Ook heeft de inzet op belangrijke vakken als taal, rekenen en Engels nog niet het gewenste effect. Bovendien zijn er grote cultuurverschillen tussen mbo en hbo.’ Wel zoeken mbo- en hbo-opleidingen steeds meer naar samenwerking. Zij ontwikkelen bijvoorbeeld doorstroommodules. Daarbij doen zich soms knelpunten in de regelgeving voor. Vogelzang noemt als een voorbeeld de bevoegdheid van leraren om op verschillende niveaus les te mogen geven. ‘Vmbo’s werken graag met pabostudenten, maar dat kan eigenlijk niet. Wij hebben bij het departement gevraagd daar nog eens goed naar te kijken.’ Niet zonnig Ze waarschuwt voor het effect van doorstroommodules en andere maatwerk­trajecten op de toegankelijkheid van het onderwijs. Vogelzang: ‘Centrale diplomering garandeert kwaliteit: zowel de leerling als de opleidingen weten welke niveau er is behaald en op welke vervolgopleiding de leerling toelaatbaar is. Als je dat zou loslaten, gaan scholen ongetwijfeld aan de poort selecteren en dat betekent voor sommige groepen een risico. Het maatschappelijk belang moet in dit geval voorrang krijgen op het individueel belang.’ Bij de discussie over het mbo speelt ook de toekomst van de arbeidsmarkt een rol. Die ziet er voor het middensegment niet zonnig uit, zegt Turkenburg. ‘Hier neemt de werkgelegenheid af, onder meer als gevolg van de robotisering, al verschilt het sterk per sector. Studenten van nu moeten zich voorbereiden op een onzekere arbeidsmarkt. Positief is dat veel mbo’ers zich ervan bewust zijn dat ze zich in de loop van hun leven zullen moeten bijscholen.’ In dit verband zou er ook meer aandacht moeten zijn voor interculturele vaardigheden. ‘Internationale stages kunnen veel bijdragen aan de ontwikkeling van studenten, ook in het mbo. Het werkveld richt zich per slot ook op het buitenland, zeker binnen de maakindustrie en het transport.’ De Inspectie heeft geen onderzoek gedaan naar de mate waarin scholen aandacht schenken aan internationalisering. Vogelzang: ‘Wel zien we dat scholen die zich ermee profileren, of tweetalig onderwijs aanbieden, in trek zijn.’ Zowel het leggen van een stevige kennisbasis als ‘leren leren’ is noodzakelijk voor toekomstgericht onderwijs. Daarnaast is het belangrijk dat het onderwijs de ‘collectieve weerbaarheid’ van de burgers helpt vergroten. Kennis, kunnen omgaan met verandering, flexibiliteit, een leven lang ontwikkelen, deel uitmaken van de samenleving. Die punten komen steeds terug.’ Turkenburg: ‘De bevolking veroudert, en we doen een beroep op de burger om in het eigen netwerk zorg te zoeken en te bieden. In combinatie met een onzekere arbeidsmarkt is dat een aandachtspunt. Het vergroten van zelfredzaamheid en maatschappelijke weerbaarheid is een opdracht voor het onderwijs van de toekomst.’ ■ gepubliceerd in Publiek Denken, special Kabinet aan Zet, oktober 2017

Een nieuw curriculum maken doe je samen

Een nieuw curriculum maken doe je samen ‘Je moet mensen niet te ver uit hun comfortzone jagen’ Vanuit het onderwijsveld leerlijnen en lesinhouden ontwerpen die passen bij de veranderende samenleving. Dat is de bedoeling van Curriculum.nu. Op sommige scholen doen lerarenteams dit al, bijvoorbeeld op IKC de IJsselhof in Zwolle. Schoolleiders Marja Heerdink en Femke Spijkerman: “De regie ligt bij de leerkracht. Wij stimuleren de collega’s hun talenten en kwaliteiten in te zetten.” Wat leerlingen moeten kennen en kunnen om een evenwichtige persoonlijkheid te worden en een verantwoordelijke burger, is elf jaar geleden vastgelegd in een landelijk curriculum voor het primair en voortgezet onderwijs. Inmiddels is de wereld veranderd, dus is het de vraag of dit curriculum nog wel past. Onderwijsorganisaties AVS, Onderwijscoöperatie, PO-Raad, VO-raad, LAKS en Ouders & Onderwijs willen daarom de inhoud en voor een deel ook de organisatie van het onderwijs opnieuw vaststellen. De ontwikkelteams die zich over de verschillende leergebieden gaan buigen, bestaan uit schoolleiders en leraren. “Het is ongelooflijk belangrijk dat het onderwijsveld hierin zelf aan zet is”, zegt AVS-voorzitter Petra van Haren, die in de coördinatiegroep Curriculum.nu zit. “Het veld weet het beste wat kinderen nodig hebben. We hebben nu de kans om bouwstenen te leveren voor een nieuw curriculum.” In de ontwikkelteams zal onder meer gesproken worden over de ruimte van scholen om zelf keuzes te maken. “De schoolleider zal bij deze eigen invulling een belangrijke rol spelen, bijvoorbeeld in het voeren van de dialoog met de teamleden. Daarom roep ik schoolleiders op om deel te nemen aan de ontwikkelteams.” Niet afwachten Intussen zitten scholen niet stil in een hoekje te wachten, maar nemen zelf initiatieven om hun onderwijs te verbeteren. Veel schoolleiders en leraren volgen scholing en ontwikkelen een visie op goed en eigentijds onderwijs. Op de eigen school brengen ze hun nieuwe inzichten in de praktijk. Een van de scholen die sterk inzet op schoolontwikkeling is integraal kindcentrum de IJsselhof in Zwolle. Hier geven Marja Heerdink en Femke Spijkerman leiding aan 32 leerkrachten die onderwijs ontwikkelen in onderwijswerkgroepen. “Vijf jaar geleden, ik was net gestart als directeur, heb ik een filmpje gemaakt”, vertelt Heerdink. “Wat ik zag in de klas was dat leerlingen niet erg gemotiveerd waren. Leerkrachten kwamen vervolgens met de vraag hoe we de motivatie konden verbeteren.” Heerdink organiseerde een heidag met het team waar over de onderwijsvisie van de school is gepraat en de koers is bepaald. “Het is op een collectieve manier in gang gezet.” Deep learning De onderwijsvisie van IKC de IJsselhof is gebaseerd op New Pedagogies for Deep Learning (NPDL), een beweging voor onderwijsvernieuwing en -ontwikkeling van onder meer de Amerikaanse onderwijskundigen Michael Fullan en Joanna Quinn. Binnen NPDL gaat het erom dat leraren goed kijken naar kinderen en wat zij willen leren. Een aanpak die daarbij past is leerlingen te stimuleren zelf vragen te stellen over een onderwerp. Daarbij speelt de didactische coach een belangrijke rol. Zij helpt leraren aan de hand van zelfgemaakt filmpjes diepere denkvragen te stellen. “In de ‘Week van het Leren’ doen we de methodes aan de kant”, zegt Heerdink. “Samen met leerlingen gaan we dan ontdekkend en onderzoekend leren. Het is belangrijk dat leerlingen meteen iets hebben aan hun nieuwe kennis.” Voor sommige leraren was lesgeven zonder methodes een brug te ver. “Een methode geeft houvast, dan weet je dat je niets overslaat. Sommige leraren gebruikten daarom wel delen van de methode. Dat is ook goed, je moet mensen niet te ver uit hun comfortzone jagen.” De leraren die wel buiten de gebaande paden waren getreden, hadden daarover een filmpje gemaakt. Spijkerman: “Zij zijn de ambassadeurs geworden van onze nieuwe aanpak.” Collectief leren Op de IJsselhof volgen veel leerkrachten een masteropleiding. “Dat wilden we inkaderen”, zegt Spijkerman. “De onderwijswerkgroepen die we hebben opgericht rond de thema’s Gedrag, Het jonge kind, Taal, Rekenen en Leren & Innovatie,worden geleid door een collega met een master.” In de werkgroepen worden de speerpunten bepaald en de plannen ontwikkeld en uitgevoerd. Alle leerkrachten maken deel uit van een werkgroep en alle leerjaren zijn in iedere werkgroep vertegenwoordigd. Zo kunnen er op de verschillende thema’s doorlopende leerlijnen ontworpen worden. Dat zoveel leerkrachten een master hebben gevolgd, heeft veel invloed op de kwaliteit van het onderwijs en de ‘ontwikkeldrang’ van het team. Heerdink: “Collectief leren is een belangrijke factor hierin. Er is veel gretigheid ontstaan om het onderwijs te verbeteren. Fouten maken mag, moet zelfs, om verder te komen.” De onderwijswerkgroepen delen hun resultaten. Wat de ene groep uitvogelt, heeft ook impact op wat de andere groepen doen. Zo wordt de samenhang tussen leergebieden groter en komen doorlopende leerlijnen binnen de school in zicht. Heerdink: “De Jonge kind-groep heeft gekeken naar de knip tussen groep 2 en 3. Dat heeft effect op het leesonderwijs. We gebruiken nog steeds de methode Veilig leren lezen, maar zijn daarnaast ook met thema’s bezig.” Omgekeerd heeft de werkgroep Taal invloed op wat in groep 1 en 2 gebeurt. “De collega met master Taal heeft in haar eigen groep in de bovenbouw een nieuwe aanpak ontwikkeld voor het begrijpend lezen. Daarna heeft ze met de werkgroep een leerlijn gemaakt voor de hele school.” De werkgroepen proberen hun ideeën direct uit in de klas. Heerdink: “We werken vanuit het doen, maar we toetsen het wel aan de theorie. We zijn een academische opleidingsschool, we gaan niet vanuit de onderbuik experimenteren. De leerlijnen zijn gestoeld op wetenschappelijk onderzoek.” Eigenaarschap De leerlijnen worden ook doorgetrokken naar de voorschool en het vervolgonderwijs. Heerdink: “Binnen ons bestuur zijn scholen voor po, vo en so. Het bestuur vindt onderlinge uitwisseling erg belangrijk en stimuleert dat ook, bijvoorbeeld met Onderwijscafé’s waar zowel po- als vo-collega’s komen.” Spijkerman: “We maken ook een leerlijn voor de voorschool, om de start in groep 1 te verbeteren. De opvang hanteert een kindvolgsysteem. Een student pedagogische opvang onderzoekt nu hoe we onze leerlijn en dit volgsysteem op elkaar kunnen laten aansluiten.” In het IKC zijn heel veel studenten actief: van de pabo, maar ook hbo-studenten pedagogiek, management en mbo-studenten sociaalpedagogisch werk. Spijkerman: “We

Werken in een private cloud

Werken in een private cloud Als ict’er moet je je blijven ontwikkelen, je blijven verdiepen, opleidingen en cursussen blijven volgen. Dat geldt voor zowel studenten als docenten van de ICT-Academie van het Koning Willem I College in Den Bosch. De contacten met bedrijven in de Adviesraad van de academie zijn hierbij een belangrijke voedingsbron. Met de veranderingen in de IT-wereld van fysiek naar virtueel, is een virtuele labomgeving geïnstalleerd en werken de leerlingen in een private cloud. ‘Je kunt je afvragen of het nog zin heeft om leerlingen te leren kabels te monteren,’ zegt Wouter van Loon. Hij is directeur van een IT-bedrijf en lid van de Adviesraad van de ICT-Academie, waarin in totaal twintig bedrijven participeren. ‘We zijn in transitie van fysiek naar virtueel, daar moet de opleiding leerlingen op voorbereiden. Maar bedrijven leven bij de waan van de dag en een opleiding kan niet op ieder geluid reageren. De ICT-Academie geeft het tempo en de richting aan. Neem bijvoorbeeld het installeren van exchange servers. Dat deden we vroeger veel, maar nu is de exchange server een datacentrum van Microsoft of Google. Bedrijven richten geen eigen exchange omgeving meer in. Dat type werk verandert dus.’ Private cloud Altijd blijven leren, is een belangrijke eigenschap van ict’ers. Bert van Strien is afdelingsdirecteur van de ICT-Academie: ‘Exchange is nog wel een belangrijk deel van de opleiding. Maar sinds kort hebben wij een virtuele labomgeving geïnstalleerd en werken de leerlingen in een private cloud.’ Cees Bruurmijn, docent ICT Netwerkbeheer en Cloud Computing, is de kartrekker van de gevirtualiseerde digitale labomgeving. Hij had bij Hogeschool Zuyd in Limburg eerder al kennisgemaakt met de cloud en de voordelen ervan. ‘Je bent niet meer lokaal ergens mee bezig. Je kunt thuis of op school werken zonder dat je opnieuw moet opstarten, dat is enorm tijdbesparend. Je hebt ook een minder krachtige laptop nodig. Ik zie dat leerlingen ‘s morgens thuis inloggen en op school verder werken. Gepubliceerd in Profiel 9, december 2016 Download als pdf: Werken in een private cloud

Voorkomen is beter dan verzuimen

Voorkomen is beter dan verzuimen Auteur: Susan de Boer Op de basisscholen van de Rotterdamse Vereniging voor Katholiek Onderwijs verzuimen leerkrachten veel minder vaak en minder lang wegens ziekte dan landelijk het geval is. Tijdige signalering door de schoolleider en adequate ondersteuning helpen leerkrachten en ondersteunend personeel om aan het werk te blijven of snel weer te beginnen. Een betrokken staffunctionaris, bedrijfsarts, bovenschools manager en schoolleider vertellen over de aanpak. “Als er een griepepidemie heerst kun je voorspellen welke collega’s thuis zullen blijven”, zegt Ria Post, directeur van basisschool Christophoor in Rotterdam. “Ik ga dus tijdig in gesprek met deze mensen. Dan heb ik het niet over hoe ze zich voelen, maar over hoe we kunnen helpen. Bijvoorbeeld door de gymles een dag aan een collega over te laten. Zo neem je als leidinggevende iemand serieus in zijn of haar behoefte om even ontzien te worden en voorkom je dat een medewerker thuis blijft.” De Rotterdamse Vereniging voor Katholiek Onderwijs (RVKO), waaronder de Christophoor valt, hanteert geen verzuim- maar een vitaliteitsbeleid. “De eerste stap zetten we zo’n tien jaar geleden, in de tijd dat de Wet Poortwachter van kracht werd”, vertelt Martine Zannis, beleidsondersteuner personele zorg. “We legden de regie op het ziekteverzuim bij de direct-leidinggevende, vanuit de gedachte dat degene die het dichtst bij de medewerker staat ook het best ziet wat nodig is. Destijds zagen we ziekte als iets waardoor een medewerker is uitgeschakeld. Je gaat ervoor naar de bedrijfsarts en als je genezen bent, ga je weer aan het werk. Dat ‘medische model’ hebben we in 2014 ingeruild voor het ‘gedragsmodel’. Uitgangspunt hierbij is dat ziekte je overkomt, maar dat je verzuim een keuze is.” De afgelopen drie jaar heeft dit beleid in de scholen gestalte gekregen. “Dat hebben we niet heel strak in een tijdplan gezet, maar we hadden wel een visie en einddoel”, vertelt bovenschools manager Eveline Miltenburg. “We hebben de uitgangspunten gedeeld met onze schoolleiders, hebben het gesprek op gang gebracht over de betekenis ervan in de praktijk en hebben trainingen op maat aangeboden voor de schoolleiders. Vervolgens hebben we de medewerkers op de hoogte gebracht. Zo zetten we steeds een nieuwe stap, waarbij we telkens eerst kijken naar het effect van de vorige.” Eigenrisicodrager Het ‘gedragsmodel’ kan alleen werken, als er voldoende ondersteuning is. RVKO schakelt professionals in om medewerkers bij medische, psychische en maatschappelijke vraagstukken te helpen. “We hebben als bestuur altijd oog gehad voor de zorgen van mensen en daarvoor ook de nodige budgetten beschikbaar gesteld voor begeleiding of ondersteuning op maat. Dat komt mede voort uit onze katholieke identiteit”, zegt Zannis. Daarnaast is er budget vrijgemaakt doordat RVKO gestopt is met de aansluiting bij het Vervangingsfonds. Sinds augustus 2014 is het schoolbestuur eigenrisicodrager voor vervanging bij ziekte. Volgens bedrijfsarts Kees de Boer is dat een essentieel onderdeel van het vitaliteitsbeleid. “Een verzekering voor vervanging geeft de werkgever onvoldoende prikkels om verzuimende medewerkers zo spoedig mogelijk weer aan het werk te helpen. Het is immers makkelijker om een medewerker te vervangen dan om preventief mensen te ondersteunen en intensief te begeleiden bij re-integratie. Maar het premiegeld dat je uitspaart door het eigenrisicodragerschap kun je investeren in vitaliteit en professionele ontwikkeling van personeel, en indirect dus in de leerlingen.” Miltenburg bevestigt dat het gaat om een groter plaatje dan ziekteverzuim alleen. “We leggen de focus op ontwikkeling. Alle leerkrachten volgen scholing. Ziek melden en kwaliteitsbeleid hangen samen. Dat geldt ook voor functioneringsproblematiek of een conflict, dat uit zich vaak in verzuim. Het is daarom belangrijk dat in het contact tussen leidinggevende en bedrijfsarts de adviesvraag helder is.” Ziekte en gedrag scheiden De bovenschools ­manager vervolgt: “De direct-leidinggevende vraagt feedback op zijn of haar aanpak aan de bedrijfsarts.” Bedrijfsarts De Boer: “Schoolleiders bellen niet met de vraag hoe ziek iemand is, maar wat zij kunnen vragen van een medewerker.” Er is veel contact met verzuimende werknemers; RVKO gaat meteen bij de eerste ziekmelding al na of het te maken heeft met functioneringsproblematiek. Miltenburg: “We gaan het niet drie weken aankijken.” De Boer, die steeds minder mensen op zijn spreekuur ziet, legt uit dat ze van ‘klachtcontingent’ naar ‘tijdcontingent’ zijn gegaan: je gaat er vanuit dat de klachten zullen verdwijnen en zet een stappenplan in voor re-integratie. “Dat schema is minder afhankelijk van de klacht of oorzaak dan van de persoon.” Miltenburg: “Wat helpt is dat we ziekte en gedrag scheiden. Bij dezelfde klacht neemt de één een paracetamol en komt toch naar het werk, terwijl de ander zich ziek meldt.” Schoolleider Post: “Werken in het onderwijs is zwaar. Als een leerkracht voor maar 80 procent functioneert, hoeft deze bijvoorbeeld even geen rapporten te schrijven. Dat doet een collega dan. Zo hoeft niemand uit te vallen. Degene die een stapje extra heeft gezet, krijgt een bloemetje en bedankje. Het is belangrijk dat je laat zien dat je die inzet waardeert.” Miltenburg coacht schoolleiders daarbij. “Daarnaast ben ik zelf ook leidinggevende van schoolleiders en krijg ik te maken met directeuren die ziek of overspannen worden. Dan ga ik na hoe ik iemand kan ontlasten. Soms is verzuim onvermijdelijk, maar dan wil ik wel herstelgedrag zien, zoals bijvoorbeeld het bezoeken van een psycholoog. Daarbij gaan we uit van een helder tijdschema. Misschien moeten we gaandeweg afwijken van het afgesproken plan, maar dat is beter dan geen plan.” Beleidsondersteuner Zannis: “Omdat we een psycholoog in company hebben, kunnen mensen met licht psychische klachten direct en liefst preventief geholpen worden. Want leerkrachten zijn perfectionisten. Geen slechte eigenschap, maar wel risicogedrag voor uitval.” Post: “Als ik vaak ’s avonds nog mailtjes krijg van een teamlid zeg ik wel: ‘Nu wil ik dat je naar de film gaat, in bad gaat liggen of wat dan ook, als je maar even rust neemt.’” Verder biedt en maatschappelijk werker begeleiding bij financiële zorgen, want ook die zijn vaak van invloed op de vitaliteit van medewerkers. De Boer: “Investeren aan de voorkant betaalt zich altijd uit. Arbeidsongeschiktheid is veel duurder dan een psycholoog en bovendien een stuk vervelender voor de medewerker.” Veertig graden

Kinderen leren omgaan met seksuele diversiteit

Kinderen leren omgaan met seksuele diversiteit Scholen voor funderend onderwijs lopen vaak tegen dezelfde uitdagingen aan. De aanpak kan bijzonder zijn en voor meerdere scholen nuttig. Deze maand in Zo kan het ook!: Basisschool De Kleine Keizer in Den Haag schenkt structureel aandacht aan seksuele diversiteit en wint daarmee de John Blankensteinprijs. Voorlichting geven over seksuele diversiteit is volgens de Tweede Kamer een belangrijke taak voor scholen. Bij het niet vervullen van die taak zou zelfs een boete moeten volgen. Een school die deze boete in ieder geval níet krijgt, is basisschool De Kleine Keizer in Den Haag. “Actief burgerschap en sociale integratie staan in het schooljaarplan en daar hoort aandacht voor seksuele diversiteit bij”, zegt schoolleider Erwin Toet. “De Kleine Keizer is een school met een zeer diverse populatie op sociaaleconomisch, etnisch en religieus gebied. Leren omgaan met seksuele diversiteit is in onze ogen onderdeel van een open en veilig schoolklimaat. Dit schooljaar hebben we met het voorlichtingsteam van COC Haaglanden onze invulling van het onderwerp uitgebreid.” De school won afgelopen december met de aanpak de John Blankensteinprijs 2016: een prijs die de gemeente Den Haag jaarlijks uitreikt aan een organisatie die bijdraagt aan de emancipatie van lesbische vrouwen, homoseksuele mannen, biseksuelen, transgenders en interseksuelen. De Kleine Keizer doet mee aan de Week van de Lentekriebels, een landelijke projectweek waarin scholen en ouders extra aandacht besteden aan relationele en seksuele vorming bij kinderen. Daarnaast brengen twee voorlichters van COC Haaglanden een bezoek aan de bovenbouwgroepen. “In het gesprek gaan de voorlichters in op vragen van leerlingen, en bespreken ze bijvoorbeeld stereotypering”, vertelt Tamar Tuit, leerkracht van groep 8. “Hoe weet je of iemand homo is of hetero? Het grappige was dat de leerlingen van de mannelijke voorlichter dachten dat hij heteroseksueel zou zijn, en de vrouw niet, terwijl het andersom was. Naderhand bespreken we het na in de klas. Ook later komt het onderwerp weer ter sprake, bijvoorbeeld naar aanleiding van het nieuws, en tijdens de lessen biologie, wanneer we het menselijk lichaam en seksualiteit bespreken.” Van de leerkrachten op De Kleine Keizer is niemand homoseksueel. Maar dat is ook niet nodig om over seksuele diversiteit te praten. “Een leerkracht moet een open houding hebben en zich professioneel opstellen”, zegt schoolleider Toet. “Het is niet het enige gevoelige onderwerp dat langskomt. Het gaat erom dat een leerkracht feitelijke informatie kan geven en weet hoe je hierover het gesprek kunt voeren.” Ouders reageren over het algemeen positief op de lessen, maar niet alle ouders zullen zich uitspreken, denkt hij. “De culturele achtergronden in deze wijk zijn zo divers, natuurlijk zijn er ook ouders bij wie het onderwerp op weerstand stuit. We willen respectvol omgaan met andersdenkenden en verwachten dat respect ook terug. We proberen onze woorden zorgvuldig te kiezen, we willen dat iedereen zich veilig voelt.” Het winnen van de John Blankensteinprijs ziet de schoolleider als een waardering voor en erkenning van de cultuur van openheid en acceptatie op De Kleine Keizer. “We laten zien waar de school voor staat, dat vinden we belangrijk, en het winnen van deze prijs draagt daaraan bij. Het prijzengeld besteden we voor een deel aan aanvullende lectuur over sociale veiligheid en we vervullen er ook een paar andere wensen mee.”   Gepubliceerd in Kader Primair 9; 18 mei 2017

Huiswerkbegeleiding op school

Huiswerkbegeleiding op school Scholen voor funderend onderwijs lopen vaak tegen dezelfde uitdagingen aan. De aanpak kan bijzonder zijn en voor meerdere scholen nuttig. Deze maand in Zo kan het ook!: Op het Laurens Lyceum in Rotterdam bestaat een schooldag uit lesuren en flexuren van tachtig minuten. Leerlingen maken hun huiswerk op school en kiezen zelf wanneer ze dat doen. “Leerlingen hebben vaak hulp nodig bij het huiswerk. Ouders kunnen die ondersteuning niet altijd bieden”, zegt Alfred van der Heijden, rector van het Laurens Lyceum in Rotterdam. “Wij hebben de schooldag anders georganiseerd. In het zogenoemde flexrooster is plaats voor huiswerk- of flexuren, waarbij een leraar de leerlingen begeleidt.” Met ingang van het huidige schooljaar heeft de rector het ‘flexmodel’ op het Laurens Lyceum ingevoerd. De Rotterdamse Roncalli mavo, waar Van der Heijden eerder directeur was, werkt al sinds 2003 met dit systeem. In het flexmodel vinden per dag drie of vier lessen van tachtig minuten plaats, met daartussen een pauze. Daarnaast hebben de brugklassen en de tweede klassen vijf huiswerkuren. Alle klassen hebben daar bovenop vijf keer per week een flexuur , dat de leerling in de ochtend of de middag kan inplannen. “Het model biedt veel vrijheid aan leerlingen en leraren”, zegt Van der Heijden. “De flexuren zijn vrije uren. Leerlingen kunnen in dat uur huiswerk maken, maar ze kunnen ook dyslexieondersteuning krijgen of les in studievaardigheden. Docenten kunnen achterblijvers tijdens een flexuur bijspijkeren en mentoren kunnen leerlingen op basis van resultaten naar flexuren sturen.” De dag begint met een algemeen flexuur waar de leerlingen met elkaar samen kunnen studeren. Daarnaast kunnen zij ook kiezen voor het stilte-uur. Dan zijn 125 leerlingen in examenopstelling aan het werk. “Leerlingen gebruiken dat uur inderdaad om in stilte te studeren”, zegt Van der Heijden. “Het scheelt ook in de telaatkomers, want het is geen verplicht uur.” Leerlingen zijn wel verplicht om vijf (of tien) keer per week in de flexuren aan het werk te zijn. Door huiswerkbegeleiding op school te organiseren, hoeven ouders geen (dure) huiswerkinstituten meer in te huren. “Kinderen krijgen op school alle begeleiding die ze nodig hebben. Daarmee maak je de kansen voor ieder kind gelijk.” Een belangrijk knelpunt dat wordt opgelost, is het verlies van lestijd door het veelvuldig per dag wisselen van vak. Van der Heijden: “Leraren starten normaalgesproken zeven keer per dag een les op. Tussen de lessen is altijd tijdverlies door lokaalwisselingen. Daar ben je nu vanaf.” Met de docenten is hij nagegaan hoe zij de leerstof optimaal konden behandelen. “De methode is ingericht op zoveel lesuur per vak. We hebben gekeken welke leerdoelen er gehaald moeten worden, en die leerdoelen kun je ook halen binnen dit model. Dat het aantal contacturen rechtstreeks samenhangt met de leerresultaten is een mythe. Differentiëren is juist veel makkelijker geworden.” Het belangrijkste is volgens de rector dat de school vertrouwen heeft in de leerlingen en leraren. “Bij een veranderproces is het altijd belangrijk dat je er aandacht voor hebt dat mensen het moeilijk vinden. Vertrouwen is dan belangrijk, en ook het aanbieden van hulp.” Er is vanuit het hele land veel belangstelling voor het flexmodel. Vier scholen – in Doorn, Montfoort, Hengelo en Vlaardingen – voeren het model volgend jaar ook in. Meer weten? www.flexroostervo.nl   Gepubliceerd in Kader Primair 8: 20 april 2017

Ruim baan voor de leraar

Ruim baan voor de leraar Op kbs De Zandberg in Breda kunnen leerlingen hun talenten ontplooien in De Zandberg Academie. Iedere zes weken verschijnt er een ‘menukaart’ met projecten als Meestervervalsers (schilderen), Het perfecte plaatje (fotografie) en Dance, dance, dance (choreografie en dans). De Zandberg Academie is een initiatief van leraar Michiel Santegoeds, die zijn idee uitwerkte met subsidie van het LerarenOntwikkelFonds (LOF). Directeur Hans Staps ondersteunt het van harte. Leraar Michel Santegoeds: ‘Het moet geen hobbyproject van mij alleen zijn’ “Het idee van De Zandberg Academie komt voort uit de Plusklas. De Plusklas is alleen voor leerlingen met hoge scores, voor andere kinderen wordt niets speciaals georganiseerd. Ik vind dat alle leerlingen de kans moeten krijgen hun interesses te ontplooien. De projecten van De Zandberg Academie sluiten zoveel mogelijk aan op niet-cognitieve intelligenties, zoals visuele of motorische intelligentie. Deelname is niet gekoppeld aan toetsscores, maar we verwachten van kinderen die zich inschrijven wel dat ze een stapje extra doen, bijvoorbeeld door direct tijdens de inloop aan hun weektaken te beginnen. De groepsleerkracht bespreekt de menukaart in de klas en leerlingen kiezen zelf of ze zich willen inschrijven. De groepsleerkracht zorgt ervoor dat maximaal vijf kinderen uit één klas zich aanmelden. De leerkracht bepaalt de criteria. Een kind dat een boost kan gebruiken in het zelfbeeld bijvoorbeeld, komt eerder in aanmerking als er keuzes moeten worden gemaakt. In het begin vonden de meeste collega’s dat niet zo’n fijne rol, maar nu zijn ze eraan gewend.” Amateurfotograaf “Ik ben één dag in de week vrijgeroosterd voor de coördinatie van de Zandberg Academie. De projecten worden begeleid door leerkrachten met een bepaalde belangstelling. Eerst vroeg ik ze gericht of ze een groepje wilden begeleiden, nu komen ze ook zelf met ideeën. Een van de collega’s is bijvoorbeeld amateurfotograaf. Zij begeleidt nu een project rondom het fotograferen van optische illusies. Van een ander wist ik dat ze veel danst. Leerkrachten die een groepje begeleiden doen dat drie kwartier per week. Andere teamleden vervangen die leerkracht dan. Tot nu toe hebben we dat steeds goed kunnen opvangen. We werken met groepjes van maximaal vijftien kinderen. Per periode van zes weken kunnen zo’n tachtig leerlingen meedoen.” Intervisie “Ik had al eens eerder subsidie aangevraagd bij het LerarenOntwikkelFonds, maar die werd afgewezen omdat collega’s onvoldoende werden betrokken bij het project. In overleg met de coach van het LOF heb ik de opzet aangepast. De procedure zit goed in elkaar, subsidie is gemakkelijk aan te vragen en je krijgt een duidelijke motivering waarom je wel of geen middelen krijgt. Wat ik er sterk aan vind, is dat je echt zelf verantwoordelijk bent voor het slagen van je project. Een voorwaarde voor de subsidie is ook dat je deelneemt aan het begeleidingsprogramma. Drie keer per jaar is er een ‘deelnemerslab’, een soort studiedag waaraan je verplicht deelneemt. De dag bestaat uit een inhoudelijk deel en een netwerkdeel. Met andere deelnemers kun je dan sparren over projecten en ideeën opdoen. Daarnaast krijg je coaching en maak je deel uit van een intervisiegroep. Met zeven collega’s in het primair en voortgezet onderwijs, die ongeveer net zo’n project doen als ik, bespreken we wat we aan het doen zijn en waar we tegenaan lopen. Dat is erg inspirerend. Het zijn allemaal enthousiaste en gemotiveerde mensen.” Valkuil “Bij dit project gaat het om het inspelen op de talenten van leerlingen en teamleden. We leren anders kijken naar de ontwikkeling van kinderen en onze eigen professionele ontwikkeling. Een valkuil voor mij, en ook voor anderen uit mijn intervisiegroep, is dat je zo enthousiast bent over je project, dat je moeite hebt je collega’s de vrijheid te geven op hun manier de projecten vorm te geven. Ik wil alles het liefst op mijn manier doen. Maar dat kan niet, dan wordt het een hobbyproject van mij en valt het om zodra ik van school verander. Het is wel de bedoeling dat het blijft bestaan.” _ Directeur Hans Staps: ‘Start alleen als je de activiteit echt wilt invoeren’ “Onze school wil meer aanbieden dan het standaardprogramma. Het leerstofjaarklassensysteem is handig voor de vaststaande elementen, zoals taal en rekenen, maar voor de leerlijnen wereldoriëntatie en kunstzinnige oriëntatie zoeken we naar andere vormen. We gaan in alle groepen werken met vaste thema’s waarin de kerndoelen en tussendoelen ondergebracht zijn. We gebruiken geen methode, maar zoeken een eigen aanpak en daarbij doorbreken we soms ook het leerstofjaarklassensysteem.” Schoolwaarden “Het is belangrijk voor onze schoolontwikkeling dat de leerkrachten zich steeds meer professionaliseren. We willen ze uitdagen om als het ware naar een hoger level te gaan. De schoolwaarden van De Zandberg zijn geborgenheid, zelfbewust en beleven. In de focusgroepen Zelfbewust beleven, Opbrengstgericht werken & portfolio en Onderzoeken zijn leerkrachten aan de slag met specifieke onderwerpen die te maken hebben met die schoolwaarden. Leerkrachten zijn ook ‘ambassadeur’ en helpen collega’s die zoekend zijn naar hun talenten en mogelijkheden. Dit is een school waar veel initiatieven ontplooid worden. Als een leerkracht met een plan komt, kijken we of het past binnen onze waarden en binnen de slogan ‘Samen je eigen weg!’ en zo ja, dan kan hij het uitvoeren. Soms zijn er ook wel ‘remmers en vertragers’, maar het is goed om scherp te blijven en kritisch te kijken of we echt de juiste dingen doen. Voor een schoolleider is het erg prettig als het team zelf actief, betrokken en enthousiast is.” Borgen “De Zandberg Academie is een mooi initiatief. Ik heb het subsidievoorstel van Michiel bekeken en er vanuit mijn expertise feedback op gegeven. Michiel heeft het vervolgens ingediend bij het LerarenOntwikkelfonds. Er was nog een andere subsidieaanvraag van ons goedgekeurd, Programmeren Code Kids, maar de leraar die dat project uitvoert is naar een andere school binnen ons bestuur gegaan. Het project gaat overigens wel door, we investeren nu als Zandberg een deel. Een subsidie moet een startimpuls zijn. Alleen als je zeker weet dat je de activiteit echt wilt invoeren in je onderwijsprogramma en er naderhand ook zelf in wilt investeren, moet je een project starten. Je moet de

Gepersonaliseerd leren in combinatieklas stimuleert 21e eeuwse vaardigheden

Gepersonaliseerd leren in combinatieklas stimuleert 21e eeuwse vaardigheden Scholen voor funderend onderwijs lopen vaak tegen dezelfde uitdaging aan. De aanpak kan bijzonder zijn en voor meerdere scholen nuttig. Deze maand in Zo kan het ook!: Kindcentrum Puur Sang in Mierlo kiest bewust voor combinatie- in plaats van parallelklassen en zet in op gepersonaliseerd leren om 21e eeuwse vaardigheden een impuls te geven. Een softwarepakket ondersteunt de aanpak. “Gepersonaliseerd leren is een manier om aan te sluiten bij de ontwikkeling van het kind”, vertelt Jos van de Voort, directeur van Kindcentrum Puur Sang. “Maar het is enorm tijdrovend om per kind bij te houden waar het zich bevindt op de leerlijn. Met speciale software kunnen we de ontwikkeling van kinderen volgen en het onderwijs op basis van daarvan verder organiseren. Sinds september werken we in de kleutergroepen met Gynzy iPads, vanaf februari ook in de andere groepen.” Puur Sang is een van de twintig pilotscholen die dit schooljaar meedoen met de ontwikkeling van het systeem (Gynzy werkt samen met ParnasSys). Een belangrijke aanleiding om gepersonaliseerd leren in te voeren, is dat het bestuur van Puur Sang het lesgeven in 21e eeuwse vaardigheden een impuls wil geven. Een manier om dat te doen is om alle kinderen in een combinatieklas te plaatsen. “Het beeld van combinatieklassen is negatief”, zegt Van de Voort. “Maar in een klas met verschillende niveaus kun je 21e eeuwse vaardigheden zoals creativiteit, oplossingsgerichtheid en samenwerken juist goed aanleren. Het aanbod is breder en je kunt kinderen aan elkaar koppelen. Daarom hebben we van alle groepen combinatieklassen gemaakt, terwijl dat getalsmatig niet nodig is en we ook parallelklassen hadden kunnen maken. We leren kinderen manieren om zelf antwoorden te zoeken op vragen als de leerkracht niet beschikbaar is. Het team heeft zich verder geprofessionaliseerd in lesgeven in combinatieklassen en het houden van overzicht wanneer verschillende individuele leerlijnen worden gevolgd.” Gynzy iPads wordt ingezet bij rekenen en spelling. De leerlingen krijgen net als voorheen instructie van de leerkracht op basis van de methode. “Daarna verwerken ze de lesstof op de iPad”, vertelt Lynette Dijkman, leerkracht van groep 3/4 en innovatiecoördinator. “Na het maken van elke opgave krijgen ze meteen feedback. De leerkrachten zien direct de resultaten op hun eigen iPad, dus weten in hoeverre de instructie is geland en welke kinderen extra hulp nodig hebben.” Vervolgens gaan de leerlingen aan het werk met zogenoemde ‘werelden’, waarbij ze steeds een hoger niveau bereiken. Dijkman: “Omdat de leerkracht de prestaties op de eigen iPad volgt, kun je de instructie afstemmen op het gemiddelde niveau van de klas en op voorhand per les bepalen welke kinderen verlengde instructie krijgen. De lesstof wordt automatisch aangepast aan het niveau van het kind.We hoeven niet zelf op zoek naar opdrachten op maat, waardoor we meer tijd overhouden voor goede lesvoorbereidingen en begeleiding.” De software is in ontwikkeling, dus er loopt wel eens iets vast of een opdracht sluit niet goed aan bij de methode. Dijkman: “Maar we kunnen altijd ondersteuning krijgen van de leverancier.” Zowel leerkrachten als leerlingen zijn enthousiast over het systeem. Doordat leerlingen zelfstandig aan het werk kunnen op de iPads met rekenen en spellen, is er meer ruimte voor extra instructie en andere werkvormen bij andere vakken. En kunnen leerlingen onafhankelijk van de leerkracht zijn, handig in combinatieklassen. Dijkman: “Het neemt de leerkrachten ook administratief werk uit handen en veel kinderen spreekt het werken op een iPad meer aan dan een werkboek. Ook krijgen ze zicht op de leerlijn en worden ze meer eigenaar van hun eigen leerproces. Het is wel belangrijk dat je als school eerst een visie op onderwijs hebt die los staat van ict-oplossingen. De discussie moet gaan over het waarom van het onderwijs, niet over het hoe.” Gepubliceerd in Kader Primair 6; 10 februari 2017

Actief verantwoordelijk zijn voor schoolontwikkeling

Actief verantwoordelijk zijn voor schoolontwikkeling Sfeerverslag van de slotbijeenkomst van de reeks ‘Samen leiding geven aan schoolontwikkeling’. De Balie, Amsterdam, 24 mei 2016. In een professionele dialoog kunnen leraren, teams, schoolleiders, bestuurders én leerlingen verantwoordelijkheid nemen voor schoolontwikkeling. Teams kunnen kiezen om zelfsturend te opereren en daar hoort dan een andere rol van schoolleiders en bestuurders bij. Er is veel meer mogelijk binnen wettelijke kaders, zoals hacken van het rooster, leraren die minder lesuren geven per week in afstemming met hun team, of een andere verdeling van het werk. Tot deze conclusies leidden de discussies tijdens de slotbijeenkomst van ‘Samen leiding geven aan schoolontwikkeling.’ Zelforganisatie Wenting is de eerste inleider op de slotbijeenkomst die het Amsterdamse debatcentrum De Balie samen met het Arbeidsmarktplatform Primair Onderwijs en Arbeidsmarkt & Opleidingsfonds voortgezet onderwijs Voion heeft georganiseerd. Tijdens deze bijeenkomst staat verantwoordelijkheid nemen voor schoolontwikkeling op alle niveaus – docent, team en school – centraal. Wenting geeft trainingen aan zelfsturende teams, onder andere bij Buurtzorg. Teams die zelfsturend willen werken, moeten het vertrouwen krijgen dat zij, als professionals, de goede beslissingen zullen nemen. De teamleden zijn zelf verantwoordelijk voor de resultaten en de kwaliteit. Zij verdelen de – roulerende – taken onderling, houden functioneringsgesprekken met elkaar en evalueren de voortgang. Wenting: “De teamleden spreken daartoe samen met de bestuurder of manager de kaders en richtlijnen af. Ze hebben een coach nodig en goede administratieve en ICT-ondersteuning. De laag van het management kan eruit, de schoolleider wordt gewoon lid van het team.” Flexibele structuur De tweede spreker, lector Leren & Innoveren aan de Hogeschool van Amsterdam Marco Snoek, gaat in op de vraag hoe je teams in beweging krijgt. Welke kant moet deze beweging opgaan en wie bepaalt dat? “De paradox is dat de schoolleider of bestuurder wil dat teamleden zelfsturende teams vormen. Als je teamleden ernaar vraagt, willen ze misschien iets totaal anders.” Om een team zelfsturend te laten werken, moet de organisatie flexibel genoeg zijn en leraren de mogelijkheid geven zich langs welke route dan ook te ontwikkelen. “In een teamgedreven organisatie verdelen de teamleden de klussen en taken op basis van de capaciteiten en voorkeuren van de leraar. Dat past niet in het functiebouwwerk dat we nu kennen.” De centrale boodschap van Snoek is dat voor actieve en verantwoordelijke teams een ondernemende mindset van leraren en schoolleiders nodig is, eigenaarschap, en een flexibele structuur. ‘Hack het rooster’ Onder leiding van gespreksleider Felix Rottenberg gaan Wenting en Snoek samen met Sebastiaan van Tongeren, teamleider van Integraal Kindcentrum Laterna Magica in Amsterdam, en Joris Borgdorff, wiskundedocent op UniC in Utrecht, in een panelgesprek na hoe zelforganisatie en schoolontwikkeling vorm kunnen krijgen. Waar haal je bijvoorbeeld als leraar de tijd vandaan? Van Tongeren: “Gewoon doen. Het systeem ben je zelf, dat kun je ook doorbreken.” Wenting wijst erop dat het team ook afspraken rond ontwikkeltijd heeft gemaakt. “Als je daar geen tijd voor kunt maken, dan is het blijkbaar niet nodig voor het teamdoel en blijft alles bij het oude.” Volgens Snoek zitten aannames rond onderwijs ontwikkeling in de weg. “Een leraar heeft lesuren. Maar er is ook tijd nodig voor overleg en eigen ontwikkeling.” Borghoff geeft aan dat verantwoordelijkheid nemen ook op het niveau van leerlingen thuishoort. “Op alle onderdelen in het systeem leren we dat je verantwoordelijkheid neemt. Ik geef mijn leerlingen dus ook de verantwoordelijkheid om bepaalde opdrachten zelfstandig uit te voeren, zonder dat ik erbij ben.” Een wiskundedocent in de zaal geeft de tip om ‘het rooster te hacken’. “Mijn collega Frans heeft het uur na mij dezelfde klas. We kunnen samenwerken en er een blokuur van maken. Dan win je tijd. Zo zijn er meer manieren waarop we het rooster hacken in onze school.” ‘Durf de vonk te zijn’ Vervolgens bespreken de deelnemers in groepen de vraag hoe teamleden actief verantwoordelijkheid kunnen nemen voor de schoolontwikkeling op het niveau van de leraar, van het team en van de school. Zo stelt een groep voor ook de leerlingen bij de verantwoordelijkheid voor schoolontwikkeling te betrekken. “Bespreek samen wat er belangrijk is in het onderwijs. Dan kun je de regels de regels laten.” De ouders kunnen worden betrokken bij zelfsturing. “Ook zij hebben een opvatting. Het gaat om wat er nodig is voor goed onderwijs.” Nodig is in ieder geval meer samenwerking tussen docenten en een heldere visie op schoolontwikkeling. “De docenten moeten zelf een keuze kunnen maken uit de ontwikkelwensen.” Daarvoor is het nodig dat docenten de urgentie tot schoolontwikkeling voelen. “De docenten moeten het zelf agenderen, zelf de noodzaak zien.” Maar waar ligt de verantwoordelijkheid? “Als je meer ruimte en tijd krijgt, leg dan uit wat je ermee doet. Begin een dialoog.” Daarnaast is het belangrijk dat docenten meer ‘strategische gevoeligheid’ ontwikkelen. “Betrek partners bij de schoolontwikkeling. Laat mensen van buiten meedenken, bijvoorbeeld over het benutten van grote ruimtes.” Zowel leraren als schoolleiders moeten durven de vonk te zijn en de urgentie te creëren. “Heb lef. Wees creatief in het vinden van tijd in het rooster en in de planning.” Fantoomregelgeving Rottenberg praat door over de suggesties met Hugo Levie (directeur van de PO-raad en bestuurslid Arbeidsmarktplatform PO) , Ben Hoogeboom (bestuurslid van Voion namens de Algemene Onderwijsbond) , Petra van Haren (voorzitter van de Algemene Schoolleidersvereniging en bestuurslid Arbeidsmarktplatform PO), en Hein van Asseldonk (vice-voorzitter van de VO-raad en bestuurslid Voion) . “Actief verantwoordelijkheid nemen betekent dat je iets doet”, zegt Van Haren. “In het systeem zitten beperkingen, maar als er een professionele dialoog plaatsvindt kom je eruit. Ik zie bij schoolleiders en bestuurders een enorme bereidheid om te veranderen.” Hoogeboom vindt dat we ons niet moeten losmaken van de realiteit. “Een cao maak je om bescherming te bieden. Maar er is meer mogelijk dan we denken, bijvoorbeeld door het rooster te hacken, maar ook door de modernisering van de onderwijstijd.” Levie merkt op dat het argument voor regels vaak is dat we willekeur willen uitsluiten. “Maar het team kan heel goed zelf bedenken welke willekeur ze willen. Je hoeft geen klassieke arbeidsdeling toe te passen. Zo zie

Schotten weg tussen de sectoren voor betere aansluiting

Schotten weg tussen de sectoren voor betere aansluiting Versoepel de overgangen tussen de onderwijssoorten en laat het onderwijs beter aansluiten bij de talenten en de ontwikkeling van de individuele leerling en student. Die boodschap geven de deelnemers aan de conferentie ‘Elk talent telt’ mee aan de Stichting van het Onderwijs. De werkconferentie over een doorlopende lijn van talentontwikkeling die de Stichting van het Onderwijs op 25 mei in het Amsterdamse Pakhuis de Zwijger organiseert, heeft tot doel om bij alle sectoren en lagen van het onderwijsveld te rade te gaan over de vraag: hoe zorgen we ervoor dat leerlingen en studenten hun talenten volop kunnen ontwikkelen? En wat is daarvoor nodig binnen het onderwijssysteem? Ongeveer 250 deelnemers – leerkrachten, leerlingen en studenten, ouders, schoolleiders, bestuurders, voorzitters en medewerkers van onderwijsorganisaties en andere betrokkenen discussieerden mee over deze vragen. Minister Bussemaker In haar speech geeft Minister Bussemaker van Onderwijs aan hoe belangrijk het is dat leerlingen en studenten voldoende doorstroommogelijkheden krijgen in het onderwijs. Zij haalt hierin onder meer het rapport ‘Netherlands 2016 – Foundations for the Future’ aan, dat de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) op dezelfde dag presenteert. Hieruit blijkt dat het Nederlandse onderwijsstelsel goed functioneert, al zijn er op onderdelen verbeteringen mogelijk. Een punt van zorg is de ‘vroegselectie’. Op twaalfjarige leeftijd ‘kiezen’ leerlingen voor de beroepsstroom vmbo-mbo en eventueel hbo, of voor een algemeen vormende route die leidt tot hbo of universiteit. Deze keuze is bepalend voor hun verdere onderwijs- en levensloop. Vooral leerlingen uit gezinnen met laag opgeleide ouders komen door deze vroegselectie vaker op een lager schooltype terecht dan ze hadden aangekund. “Overstappen moet daarom makkelijker worden”, zegt Bussemaker. Ook voelt zij wel voor meer maatwerk. “Maar wat betekent dat voor de toegang tot het vervolgonderwijs? Daar moeten we goed naar kijken.” Om selectie uit te stellen, pleit Eerste Kamerlid voor D66 en universitair hoogleraar Alexander Rinnooy Kan in zijn interactieve college voor een middenschool voor twaalf- tot vijftienjarigen. Op dat idee reageren de deelnemers zeer verdeeld: de helft van de zaal is vóór, de andere helft tegen. Meer maatwerk in het onderwijs kan op meer voorstanders rekenen en dat zou, volgens de deelnemers, kunnen worden ingericht volgens het ‘Lundia-model’ dat onderwijsprofessor Sietske Waslander presenteert. In dit model kunnen leerlingen en studenten kiezen uit verschillende modules uit verschillende onderwijssoorten en van verschillende niveaus. Dit pakket zou dan een diploma kunnen opleveren. In dit model zouden de schotten, die nu een goede aansluiting tussen de verschillende onderwijsinstellingen verhinderen, kunnen worden geslecht. Helen Adriani, voorzitter Stichting van het Onderwijs, Helen Adrianiconstateert dat er werk aan de winkel is voor het onderwijs en voor de Stichting. “Binnen alle sectoren is ‘talentontwikkeling’ een belangrijk thema. Het belang van deze middag is, dat de onderwijssectoren over de scheidslijnen heen met elkaar over dit onderwerp hebben gepraat. Het is lastig om alle sectoren op één lijn te krijgen, maar als ons dat lukt, is er veel kans dat de politiek ons volgt. Als Stichting van het Onderwijs pakken we deze handschoen graag op.” Binnenkort staat het uitgebreide verslag online.   Schotten weg tussen de sectoren voor betere aansluiting

Koppeling Toptechniek in bedrijf en M-Tech: door regionale samenwerking ‘technologie op vmbo-tl’ versterken

De koppeling van het M-Tech-programma met het regionale programma van Toptechniek in bedrijf zal beide trajecten versterken. Zo kunnen vmbo-tl-scholen blijvend aandacht besteden aan bèta en technologie.  “Door M-Tech en Toptechniek in bedrijf met elkaar te vervlechten, kunnen we de regionale samenwerking verbreden en stellen we ’vmbo-tl’s in staat de know how in de regio beter te benutten”, zegt Adri den Braber, M-Tech-expert van Platform Bèta Techniek. Den Braber is een van de drie ‘koppelaars’ die Platform Bèta Techniek heeft aangesteld om de vervlechting van beide trajecten tot stand te brengen. “Er zijn vakkrachten nodig in de techniek- en technologiesector. Met de vervlechting komen de mavisten, die op categorale mavo’s of vmbo-tl scholen zitten nadrukkelijker als aankomend talent voor de technologische sector in beeld.” TiB en M-Tech Toptechniek in bedrijf (TiB) is een programma waarbinnen (de techniekrichtingen van) vmbo en mbo samenwerken met het bedrijfsleven en de lokale overheid. Het doel is om leerlingen soepel te laten in- en doorstromen in technische opleidingen, waardoor ze goed zijn toegerust voor de regionale arbeidsmarkt. Daarbij staan de volgende thema’s centraal: verhogen in-, door- en uitstroom;  regionaal afgestemde doorlopende leerlijnen en betrokkenheid van het bedrijfsleven. Het M-Tech-programma richt zich op de leerlingen van de theoretische leerweg van het vmbo. In M-Tech werken scholen aan  zes koerspunten: onderwijsvernieuwing; professionalisering; aandacht voor technologie in de loopbaanoriëntatie; samenwerking in de keten, samenwerking met bedrijfsleven en branches en kwantitatieve prestaties. Binnen beide programma’s is inmiddels kennis ontwikkeld van succesvolle aanpakken om het doel – meer leerlingen te interesseren voor een loopbaan in de techniek- en technologiesector – te bereiken. Wereld te winnen “Vooral bij de theoretische leerweg is nog een wereld te winnen”, zegt den Braber. “Techniek heeft bij die doelgroep meestal een negatief imago. Ook de ouders en de docenten denken vaak dat werken in de techniek smerig en zwaar is. Daarbij komt dat de vmbo-tl zich vaak richt op uitstroom naar de havo. De route via mbo-4 en vervolgens hbo is minder in beeld. Daarom is het belangrijk dat mavodocenten en hun leerlingen meer contact hebben met het bedrijfsleven. Als M-Tech-scholen en andere vmbo-tl-scholen aansluiten bij TiB, kunnen zij gebruik maken van het netwerk en de aanwezige expertise op het gebied van doorlopende routes en de contacten met de bedrijven.” Vmbo-tl-leerlingen op het netvlies Hoe de scholen en de regionale netwerken de samenwerking vorm geven is aan de regio’s zelf. “Het is belangrijk dat de scholen zich op de hoogte stellen van wat er in hun regio gebeurt, ook met het oog op loopbaanoriëntatie”, zegt Den Braber. “Zij kunnen contact zoeken met de lokale partners binnen TiB. Voor de samenwerkende partijen binnen TiB is het belangrijk dat zij zich ervan bewust worden dat vmbo-tl-leerlingen een eigen aanpak nodig hebben om belangstelling te krijgen voor de technieksector. Het gaat om leerlingen die praktisch zijn en creatief, maar ook belangstelling hebben voor theorie. Als bijvoorbeeld docenten van M-Tech-scholen binnen de themawerkgroepen van TiB actief worden, en als M-Tech-scholen ook vertegenwoordigd zijn in de regionale stuurgroepen, heb je op zowel beleidsontwikkelend als op beleidsuitvoerend niveau deze doelgroep op het netvlies. Dat kan veel opleveren.” Vervolgstappen  De koppelaars van Platform Bèta Techniek zullen in mei en juni contact leggen met de projectleiders van TiB en de contactpersonen van M-Tech om na te gaan hoe deze aankijken tegen de kansen en mogelijkheden van een stevigere verbinding.  “De thema’s van TiB en M-Tech vertonen veel overlap”, zegt Den Braber. “In sommige regio’s is er al een goede samenwerking. Mogelijk kunnen we daar meer partners bij betrekken, bijvoorbeeld andere scholen. Vervolgens zullen we bekijken hoe Platform Bèta Techniek kan helpen de samenwerking verder vorm te geven of welke vervolgstappen er gezet kunnen worden.” Op deze manier blijft behouden wat er in het M-Tech-programma de afgelopen twee jaar is opgebouwd. Daarnaast hoopt Den Braber op een resultaat op langere termijn: “Er kan mogelijk voor de ambitieuze vmbo-tl- leerling een efficiënte, verkorte doorlopende route ontstaan van vmbo-mbo-hbo. Uiteindelijk moet het resultaat zijn dat meer jongens en vooral ook meer meisjes aan de slag gaan in de techniek.” Tekst: Susan de Boer Datum: 9 mei 2016 Koppeling Toptechniek in bedrijf en M-Tech: door regionale samenwerking ‘technologie op vmbo-tl’ versterken is gepubliceerd op de website van Platform Beta Techniek.

Een ander perspectief op taakbeleid en werkdruk

Een ander perspectief op taakbeleid en werkdruk Sfeerverslag van het debat over werkdruk en taakverdeling in het voortgezet onderwijs in De Balie, Amsterdam, 3 februari 2016. Het debat maakt deel uit van de serie debatten over Samen leiding geven aan schoolontwikkeling. “Scholen geven zelf vorm aan het taakbeleid. Taakbeleid neemt de werkdruk niet weg”, zegt Jilles Veenstra in zijn inleiding op het debat over werkdruk en taakbeleid in het voortgezet onderwijs. “Scholen vinden wel oplossingen, en vanavond gaan ze met elkaar daarover in gesprek.” Veenstra is voorzitter van de Federatie van Onderwijsvakorganisaties  (FvOv) en bestuurder van Voion, het Arbeidsmarkt & Opleidingsfonds voor het voortgezet onderwijs. Samen met Arbeidsmarktplatform PO en debatcentrum De Balie in Amsterdam heeft Voion het initiatief genomen voor de  debatreeks ‘Samen leiding geven aan schoolontwikkeling’. Deze debatreeks heeft tot doel een bijdrage te leveren aan een structurele onderwijsdialoog. Opslagfactor 2,212 Bij Stichting Progresso in Amsterdam, het bevoegd gezag van het Calandlyceum en van Caland2, staat het hele taakbeleid op één A-viertje. Directeur Wilfred Vlakveld: “Dat betekent niet dat daarmee het taakbeleid is gerealiseerd. Het blijft een proces en ontwikkelingen gaan door.” Op het Calandlyceum en Caland2 is de discussie omgekeerd: de inhoud van het docentschap is uitgangspunt, niet de taakomvang. “We hebben met de Kijkwijzer professionele ruimte van Voion het begrip ‘professionele ruimte’ onderzocht. De PMR  (personeelsfractie van de medezeggenschapsraad, red.) heeft een studiedag georganiseerd over leraarschap. Wat betekent ‘leraarschap’ op onze scholen?” Een docent is volgens de leraren van Calandlyceum iemand die zich ontwikkelt, een vakman of -vrouw die autonoom is en die rollen als leider,  onderzoeker of coach vervult. Vanuit deze rolopvatting zijn de contouren van het taakbeleid vastgesteld. Er volgde een  tweede studiedag, nu met het bestuur en leerlingen erbij. Het nieuwe taakbeleid is simpel en open, kent geen  omrekentabellen, gaat uit van professionele ruimte en autonomie, is gebaseerd op vertrouwen en gaat uit van verschillen. Vlakveld: “In het nieuwe taakbeleid is de opslagfactor per lesuur 2,212. Dat komt precies uit op de normjaartaak van 1.659 uur. Dan moet je dus wel met elkaar in overleg over de verdeling van het werk.” Er blijven wel uitdagingen. Docenten moeten met elkaar in gesprek en feedback geven en ontvangen is een vaardigheid die moet worden geleerd. Ook moeten de professionele werkverbanden verstevigd worden en is er een investering nodig in het personeelsbeleid. Terug in de tijd Vanuit de zaal komt de vraag of Calandlyceum niet teruggaat in de tijd. “Dertig jaar geleden was er ook geen taakbeleid. We waren allemaal vanzelfsprekend bezig met de fotoclub en de schaakclub. Later zag je steeds meer collega’s meteen na schooltijd op de fiets springen, en daarom is het taakbeleid gekomen. Hoe voorkom je dat jullie aanpak op dezelfde manier afglijdt?” Vlakveld: “Vroeger was docentschap een solitair beroep, nu verdelen we de taken. We doen het samen. We voorkomen dat we afglijden door het proces te blijven begeleiden. De cultuur moet professioneler worden en daarin hebben we de eerste stap gezet.” Burn-out De eerste ronde gaat het gesprek over wat de grootste uitdaging van deze nieuwe werkwijze is. Een docent zegt: “Veertig mensen betekent dat je het werk moet verdelen over veertig. Dan kun je elkaar aankijken en vragen: deze taken liggen er, wie heeft ruimte?” Een rector maakt zich zorgen over jonge enthousiaste docenten. “Die vinden alles leuk en pakken alles op. Ze werken zich over de kop en krijgen een burn-out.” Willem de Potter, bestuursvoorzitter van het Van Lodenstein College in Utrecht: “Het gaat erom dat je alle docenten enthousiast maakt. Wij hebben ook een mbo. Daar zitten de teams bij elkaar om taken te verdelen en dat doen ze op basis van de aanwezige talenten. Er wordt ook gekeken naar de urenverdeling, maar ook dat doen ze zelf.” Livestream Via een livestream kunnen belangstellenden het debat in De Balie meemaken. Open Schoolgemeenschap De Bijlmer volgt onder het genot van een maaltijd de gebeurtenissen.  Adjunctdirecteur Paul Baartman twittert: “Hoe geven jullie dat verantwoording afleggen aan collega’s vorm?” Rutger Gast, een docent van Caland2: “Er moeten dingen gebeuren en we bespreken in groepjes wie dat gaat doen. Natuurlijk zie je docenten wel eens snel op de fiets stappen, maar dat betekent niet dat uren opschrijven wel werkt. We willen er allemaal samen zijn voor de school. Dat is de uitdaging waar we voor staan, de schoolleider en het bestuur voorop.” Patronen doorbreken Tijdens het tweede deel van het programma houdt het acteursgezelschap Crux Creaties de deelnemers een spiegel voor. Peter Berkhout, de leider van het gezelschap, legt uit dat de acteurs patronen in de communicatie zullen laten zien. “De voorstelling heet ‘Je gaat het pas zien als je het door hebt’. Dat betekent: je moet de onderstroom begrijpen. We laten zien wat zich tussen mensen afspeelt. Deze mensen verzinnen oplossingen, maar die oplossingen worden de nieuwe problemen.” De deelnemers wordt gevraagd om de patronen te identificeren. Eerste zin Die zijn zeker herkenbaar in de zaal: “Men voert een gesprek zonder te luisteren. Je ziet de wanhoop in de ogen groeien.” Een andere deelnemer: “Je kunt het oplossen als je echt doorvraagt. Maar hier worden problemen over de schutting gegooid. Ze zijn ook goed in veralgemeniseren, een  persoonlijk gesprek houden ze af.” Volgens een derde is dat het gevolg van de managementcursus die ze ongetwijfeld hebben gevolgd. “Ze hebben afgeleerd normaal te praten, heel herkenbaar.” Ook merkt een docent op dat niemand de vraag stelt waarom dat overzicht dat ogenschijnlijk van buitenaf wordt opgelegd eigenlijk zo belangrijk is. Na de voorstelling ‘adopteert’ iedere tafel een personage. De opdracht is te noteren wat de eerste zin is die het personage moet uitspreken om het patroon te doorbreken. Daarna laten de acteurs zien wat er gebeurt als ze dit nieuwe script volgen. In de leerlijn ‘Je gaat het pas zien als je het doorhebt’ op de Voion-website zijn de opdrachten, uitleg en achtergrond te vinden om met deze bril naar de eigen organisatie te kijken. Aandacht Hein van Asseldonk, bestuurslid van Voion, sluit de bijeenkomst af. “We moeten meer aandacht schenken aan de professionele dialoog . Het is

Met Werkwijzer samen leren cultuurverandering aanjagen

Met Werkwijzer samen leren cultuurverandering aanjagen Stichting Talent in Hoorn (NH) is op weg een lerende organisatie te worden. Nadat eerst is verkend wat de ‘lerende organisatie’ inhoudt, zijn de scholen aan de slag gegaan met vervolgstappen. De Werkwijzer samen leren biedt hiervoor instrumenten. Meer informatie: School aan Zet “Wij kiezen bewust voor een procesgerichte aanpak”, zegt GeertJan Nelson, directeur-bestuurder van Stichting Talent in Hoorn. Onder het bestuur vallen tien openbare basisscholen. “Toen School aan Zet ons vroeg mee te werken aan een pilot, waren wij juist bezig met het opstellen van een Koersdocument voor de komende vier jaar. De aanpak van de Werkwijzer sluit aan bij onze procesgerichte benadering. Deze pilot bood kansen om binnen de scholen met alle betrokkenen het gesprek te voeren over het ‘wat’, ‘waarom’ en ‘hoe’ van de lerende organisatie.” Way of life Vorig jaar februari vond de start plaats op een bovenschoolse bijeenkomst voor directeuren, onder begeleiding van Inge Andersen, één van de ontwikkelaars van de Werkwijzer samen leren en School aan Zet-expert Anita Michgelsen. “Daar is de Werkwijzer samen leren gepresenteerd”, vertelt Nelson. “Vervolgens hebben de directeuren dit besproken binnen de teams. We willen op alle scholen het leiderschap verder ontwikkelen, zowel van directeuren als van leraren. We noemen dit leiderschapsontwikkeling op alle niveaus. Ook dit proces is begeleid door de School aan Zet-expert.” De directeuren bouwen met elkaar aan een professionele leergemeenschap aan de hand van de Werkwijzer. Zij hebben een ‘maatje’ en organiseren intervisiebijeenkomsten. Daarnaast zijn er stichtingsbreed lerende netwerken actief, zoals een Technieknetwerk en een Plusleerlingen-netwerk. Nelson: “Onze strategie is dat de directeuren en het team het zelf moeten doen. Regie van onderaf staat voorop. We staan nu aan het begin van het traject. Het is voor iedereen helder wat het traject inhoudt, wat Talent verstaat onder een lerende organisatie en welke functie dit heeft bij het bereiken van onze strategische doelen. Het gaat nu om het ‘hoe’. Een lerende organisatie is een Way of life, het vergt een cultuurverandering. Het is bijvoorbeeld nu niet altijd vanzelfsprekend om gemaakte afspraken ook na te komen. Soms besluit een team een bepaalde, bewezen effectieve, aanpak te kiezen, maar de leraar hanteert in de klas toch weer de eigen manier van werken. De Werkwijzer samen leren geeft handvatten en informatiebronnen die ondersteunen bij het leidinggeven aan de cultuurverandering.” Regie De scholen verschillen onderling in het tempo waarin de cultuurverandering aandacht en gestalte krijgt. “Op sommige scholen hebben leraren meer reflecterend vermogen dan op andere. Die scholen zijn verder met het vormgeven aan de lerende organisatie. Deze scholen willen nu ook meer regie bij de leerlingen leggen. Eén van onze scholen, Wereldwijzer, is daar al heel ver in. Andere scholen kunnen bij deze school kijken hoe je dat aanpakt. Leerkrachten vinden het soms moeilijk om zich concreet voor te stellen hoe het eruit ziet als de leerling de regie heeft over het eigen leerproces. Maar het kan echt!” Delen = Vermenigvuldigen Omdat het een pilot betreft, is Talent ook gevraagd School aan Zet attent te maken op verbeterpunten. “De directeuren die zich in de Werkwijzer gingen verdiepen, werden overspoeld door een veelheid aan informatie”, zegt Koos Schipper, beleidsmedewerker Personele zaken van Talent. “Voor een aantal van hen was het concreet invullen van het begrip ‘lerende organisatie’ tamelijk nieuw. Wat we misten bij de Werkwijzer was een voorblad met een begrippenkader en uitleg. Dat is een van de dingen die we hebben teruggegeven.” De informatie op de site is overigens wel heel waardevol, vindt Schipper. “Er zijn wetenschappelijke publicaties te vinden van onder meer het Onderzoekscentrum voor leren van de Open Universiteit (het Welten-instituut, red.). Die informatie wordt nauwelijks verspreid en dat is jammer. Dit is kennis waar we veel aan hebben en die we in de netwerken en op de scholen met elkaar delen. Ons Talentmotto is ‘Delen = Vermenigvuldigen’. De Werkwijzer samen leren is de motor om dit aan te jagen.” Vervolgstappen De pilot met School aan Zet is nagenoeg afgerond. GeertJan Nelson: “De opbrengst is dat we zicht hebben op hoe we als Talent en op het niveau van de scholen ervoor staan. We begrijpen wat een lerende organisatie inhoudt en hoe je het proces kunt aanvliegen. We hebben onze vragen voor de toekomst helder en gaan nu vervolgstappen zetten. Met externe ondersteuning gaan directeuren en teams aan de slag om de lerende organisatie binnen de scholen gestalte te geven. Aandacht en ruimte voor de ‘lerende professional’ zal daarbij centraal staan.”  

Samen leren in SOM Academy

Samen leren in SOM Academy Alle scholen van Stichting SOM hebben een bewuste aanpak voor excellente leerlingen ontwikkeld. Ook woordenschat en begrijpend lezen zijn stichtingbreed opgepakt. In de zogenoemde SOM Academy’s delen directeuren, intern begeleiders en leerkrachten kennis en leren zij samen. Meer informatie bij School aan Zet “Onze scholen willen zich ontwikkelen op inhoudelijke thema’s”, zegt Hanneke Meulblok, directeur van obs De Dobbelsteen in Hoogerheide en programmamanager van Stichting SOM. “Een paar jaar geleden hebben wij samen met School aan Zet het onderwerp ‘excellentie’ opgepakt. Dat was heel succesvol. Alle scholen omarmen het nu, de leerkrachten sluiten goed aan bij de onderwijsbehoeften van de leerlingen en we kopen gemeenschappelijk materiaal in.” Masterclasses De negen scholen van Stichting SOM (Samen Onderwijs Maken) staan in de regio West-Brabant en de gemeente Reimerswaal in Zeeland. “De omvang van de scholen verschilt enorm”, zegt Meulblok. “Er zijn scholen van 200 leerlingen, zoals De Dobbelsteen, maar ook scholen met 60. Dat heeft impact op de manier waarop je onderwijs vormgeeft.” De Stichting wilde dat de scholen binnen een gemeenschappelijk kader aan de slag gingen met een onderwerp, maar wel een eigen invulling zouden kiezen. Een expert van School aan Zet organiseerde een serie van drie masterclasses, waarbij naast kennisoverdracht ook ruimte was voor uitwisseling. “In de bijeenkomsten hebben we het begrip ‘excellentie’ verkend en verder uitgewerkt. Binnen de verschillende teams is gepraat over de visie op excellentie en is er geïnventariseerd welke hulpvragen de scholen hebben, zoals hoe signaleer je excellentie en welk aanbod sluit aan bij welke leerbehoefte. Daarop hebben we kennis ontwikkeld. Inmiddels pakken de scholen het zelf verder op.” Woordenschat Stichting SOM kent diverse SOM Academy’s. Dit zijn kennisnetwerkgroepen waarbinnen over inhoudelijke thema’s wordt gepraat en kennis gedeeld. De groepen worden opgestart door een teamlid. “Omdat we zo succesvol hebben samengewerkt met School aan Zet, hebben we op dezelfde manier het woordenschatonderwijs aangepakt”, vertelt Meulblok. “Het blijkt dat op alle scholen de resultaten op woordenschat achterbleven bij het landelijk gemiddelde. We zijn gaan inventariseren waar de knelpunten zitten, en het was al snel mogelijk de vinger op de zere plek te leggen. De fase van het consolideren in het Viertakt-model kreeg te weinig aandacht. Daar zijn we mee aan de slag gegaan.” Succesfactoren Een belangrijke succesfactor is volgens Meulblok het draagvlak dat er is op de scholen. “Er zijn enthousiaste teamleden die een thema oppakken en de kar gaan trekken. Het komt altijd van onderop. Daarnaast is het belangrijk dat de scholen via de Academy’s onderling verbonden zijn. Daardoor kun je snel kennis delen en kennis halen.”  

Werkwijzer samen leren biedt structuur

Werkwijzer samen leren biedt structuur Met de Werkwijzer samen leren kunnen scholen gericht aan de slag om samen leren inhoud te geven. Hierbij worden zowel het bestuur als de schoolleiders en de leraren betrokken. De Michaelschool en de Theresiaschool, beide onderdeel van Stichting Delta De Bilt, leggen de focus op het aspect ‘Koers’. Meer informatie bij School aan Zet “Op de laatste tweedaagse met de schooldirecteuren constateerden we dat we nog wel wat stappen kunnen zetten als het gaat om samen leren”, zegt Martin van Veelen, algemeen directeur en bestuurder van Stichting Delta De Bilt, een bestuur met negen scholen van verschillende denominaties. “Via School aan Zet maakten wij kennis met de Werkwijzer samen leren. Die aanpak sprak ons zeer aan.” Werkwijzer samen leren De Werkwijzer samen leren is een online uitwerking van het door School aan Zet ontwikkelde Ontwikkelmodel Samen Leren Inhoud Geven. Verschillende aspecten, zoals het bepalen van de koers, werken met data en professionalisering, komen op drie niveaus aan de orde: het bestuur, de schoolleider en de leraar. Bestuurders, schoolleiders of leraren bepalen met elkaar de fase waarin de organisatie zich bevindt. Vervolgens kunnen zij opzoeken welke instrumenten of activiteiten behulpzaam zijn bij de verdere ontwikkeling. “Het directeurenberaad als geheel gebruikt de Werkwijzer nu om tips te vinden over de verbetering van de gesprekkencyclus”, zegt Van Veelen. “Binnen de Stichting zijn netwerken ingericht voor directeuren, intern begeleiders, leerkrachten van de bovenbouw, enzovoort. Wij zien in de Werkwijzer een prikkel om deze netwerken inhoudelijk verder te versterken. Daarnaast hebben twee scholen besloten samen het aspect Koers uit te werken. De betrokkenheid bij de Stichting is toegenomen, er is meer eigenaarschap ontstaan.” Kernwaarden “Ons team heeft de afgelopen jaren stevig geïnvesteerd in zaken als instructie geven en leerlingen ‘op maat’ bedienen. Voor dit jaar hebben we ingezet op onze visie, de ‘koers’ van de school”, vertelt Guusta van Wijk, directeur van de Michaelschool in de Bilt. “Waar willen we naartoe? Hoe zien we de toekomst van de Michaelschool en wat voor leerkrachten en leiding hebben we dan nodig? Met de Werkwijzer samen leren kunnen wij met deze vragen op een gestructureerde manier aan de gang.” Samen met de Theresiaschool, waar ook gezocht wordt naar een sterkere identiteit, is een studiedag voor vijftig leerkrachten georganiseerd. Van Wijk: “We hebben de fase waarin we ons bevinden vastgesteld – dat was toen de beginfase, intussen zijn we wel een stapje verder – en de kernwaarden van de school benoemd.” Wat de leerkrachten belangrijk vinden in de school is vergeleken met wat de ouders en de leerlingen belangrijk vinden. “Dat is niet hetzelfde”, zegt Van Wijk. “Ouders willen vooral dat hun kind met plezier naar school gaat. Dat de onderwijskwaliteit goed is, iets wat wij zeer belangrijk vinden, vinden ze vanzelfsprekend. Ook voor de kinderen is de relatie met de leerkracht het allerbelangrijkst, niet de kwaliteit van de leerstof.” De leerkrachten hebben zich vervolgens gebogen over de vijf door team, ouders en leerlingen gedeelde kernwaarden Plezier, Samen, Eigenheid, Kwaliteit en Verantwoordelijk en besproken welke associaties zij bij deze woorden hebben. “Het leeft nu binnen de school, we benoemen vaker dat we kinderen plezier zien hebben of goed zien samenwerken, en we spreken elkaar makkelijker aan op verantwoordelijkheden.” Had dit zonder de Werkwijzer ook gekund? Van Wijk: “Het is een gestructureerde en efficiënte manier van werken. Dat er een expert van School aan Zet meekijkt, heeft meerwaarde. Het houdt je scherp, je krijgt feedback op je activiteiten en er blijft tempo in het proces.” Meedenken Op de Theresiaschool in Bilthoven is Lauré Wijenberg-Ursem, leerkracht van groep 3, een van de kartrekkers. “We hebben alle aspecten van het ontwikkelmodel bekeken en vastgesteld in welke fase we ons bevinden. Op alle aspecten zitten we in de beginfase. We kregen daar goede discussies over, waarin we elkaar echt konden duidelijk maken wat we precies bedoelen.” Ook de Theresiaschool heeft kernwaarden benoemd: Samen, Eigenaarschap, Plezier, Creativiteit en Ontplooiing. “Dat hebben we vertaald in leerkrachtgedrag. Bij ‘samen’ staat bijvoorbeeld: ‘Ik overleg met de parallelgroep’ en ‘ik gebruik coöperatieve werkvormen’. Daar kun je elkaar op aanspreken.” De werkgroep wil nu ook voor de ouders en de leerlingen het gedrag dat bij het kernwoord hoort, omschrijven. Wijenberg-Ursem: “Dat doen we samen met de leerlingen en de Medezeggenschapsraad. Daarna hangen we het in de school en dan kan iedereen erop reageren. Dat is zo mooi aan dit project, alle lagen zijn erbij betrokken, het gaat overal leven.” Een belangrijke meerwaarde van het gebruik van deze aanpak vindt Wijenberg-Ursem dat het leerkrachten een stem geeft. “Als leerkracht vind ik het belangrijk dat je word gehoord, dat je je mening kunt geven en mee kunt denken in het proces.” Studiedag De komende stichtingbrede studiedag, waarbij het samen leren van en met elkaar centraal staat, wordt voorbereid door de algemeen directeur, drie schoolleiders en drie leerkrachten. Wijenberg-Ursem is een van hen. “We hebben als leerkrachten input gegeven over de invulling van de dag. Dat is waardevol, dan doe je het met elkaar.”

Schoolleiders van Talent Primair vormen lerende netwerken

Schoolleiders van Talent Primair vormen lerende netwerken Concrete doelen, een goede jaarplanning en een duidelijke taakverdeling zijn belangrijke voorwaarden voor het welslagen van lerende netwerken. Dat blijkt uit de ervaringen van de schoolleiders van Talent Primair in de Gooi- en Vechtstreek. Meer praktijkvoorbeelden van lerende netwerken zijn te vinden op www.schoolaanzet.nl/thematische-inhoud “We willen de losse eenheden binnen de Stichting Basisonderwijs Gooi- en Vechtstreek Talent Primair beter met elkaar verbinden”, zegt directeur-bestuurder Jules van Brecht. “De 26 locaties, het bestuur en Villa Primair Academie, het kennis-, innovatie- en inspiratieplatform, moeten een samenwerkend geheel worden. Daarom hebben wij School aan Zet gevraagd ons te versterken bij het inrichten van lerende netwerken.” Samen leren In de netwerken zijn de schoolleiders van Talent Primair de afgelopen anderhalf jaar aan de slag gegaan met vier thema’s: Omgaan met Verschillen, Opbrengstgericht en Handelingsgericht Werken, Taal, Lezen, Rekenen en Excellentie & Hoogbegaafdheid. “De netwerken zijn bezig geweest met samen leren”, zegt Joke Kamstra, expert van School aan Zet. “Daar hoort vallen en opstaan bij. Bij een leerproces gaat het erom dat je leert van de fouten die je maakt.” Veiligheid “Ons netwerk startte wat moeizaam. Mensen hadden geen tijd en vonden het niet belangrijk genoeg”, vertelt Trudy Spiering van de Jenaplanschool de Sterrenwachter in Hilversumse Meent. Zij maakt deel uit van het netwerk ‘Omgaan met Verschillen’. “De omslag kwam tijdens onze eerste studiedag. Daar zijn we over onze grenzen heen gesprongen en hebben we uitgesproken dat we verantwoordelijk zijn voor elkaar. Dat vergrootte de veiligheid voor mij.” Op haar eigen school is Spiering in gesprek gegaan met het team. “Dat heeft tot een meer transparante cultuur geleid, wat ook betekent dat de mantel der liefde slijt. We zeggen het nu eerder tegen elkaar als we ergens last van hebben.” Energiek Het netwerk ‘Opbrengstgericht werken / Handelingsgericht werken’ was vanaf de start zeer energiek. “Mijn school nam deel aan dit netwerk omdat we meer wilden doen met zelfstandig werken”, vertelt Caroline van den Bouwhuijsen van OBS Graaf Floris in Loenen a/d Vecht. “We hebben veel kunnen halen op dat terrein. Een van de deelnemende scholen deed al veel aan zelfstandig werken. Dat had een prettig effect, omdat we konden zien dat we goed op weg waren en aanpakken konden overnemen. We hebben geformuleerd wat we eind 2015 wilden bereiken en dat concreet gemaakt op directie-, leerkracht- en leerlingniveau. Daarnaast was het gunstig dat een van ons al meteen data inplande en verslagen maakte.” Een andere ‘succesfactor’ was dat de schoolleiders ook buiten de bijeenkomsten om contact zochten. “We wisten elkaar te vinden op de inhoud en konden een praktische vertaalslag maken naar onze scholen.” Urgentie Het succes van het netwerk ‘Taal, Lezen en Rekenen’ is voor een belangrijk deel terug te voeren op het gevoel van urgentie van de leerkrachten. ‘Effectieve instructie’ was voor de deelnemende scholen een speerpunt. Het netwerk betrekt al snel de intern begeleiders en de leerkrachten bij het traject. Zo worden er ‘leerkrachtportretten’ gemaakt en filmpjes waarin leerkrachten laten zien hoe zij instructie geven. Het netwerk is inmiddels bezig met het maken van groeps- of leerlingportretten. Op de volgende studiedag komen deze aan de orde. Behoefte Het netwerk ‘Excellentie & Hoogbegaafdheid’ kwam na een vlotte start terecht in een impasse. Een deel van de verklaring daarvoor is de samenstelling: het netwerk bestaat uit tien onderling zeer verschillende scholen. Ook pakt geen van de deelnemende schoolleiders de regierol. Jules van Brecht: “We hadden als bestuur kunnen ingrijpen, maar dat was niet de bedoeling. Daarnaast speelt hier een ander aspect: hoe ga je om met verschillen binnen het netwerk?” Een andere les is, dat het belangrijk is om na te gaan of de deelnemers aan het netwerk werkelijk een dringende behoefte voelen om het thema verder te ontwikkelen. Lerende netwerken op school Binnen de scholen zijn ook lerende netwerken ontstaan. Ruud Philips, directeur van OBS De Ploeg in Laren, vertelt: “Op mijn school hebben leraren zelf een professionele leergemeenschap ingericht. Natuurlijk toon ik als schoolleider interesse voor de voortgang, maar ik stuur het niet aan.” Ook bij Wim Boog nemen leerkrachten het voortouw. “De leerkrachten zien dat ze instructievaardigheden missen en willen daarin worden bijgeschoold. Twee jonge leerkrachten in groep 7/8 hebben dat opgepakt.” Nieuwe thema’s Concrete doelen, een jaarplanning, duidelijke taakverdeling, onderling vertrouwen, betrokkenheid en draagvlak blijken belangrijke voorwaarden te zijn voor het samen leren in netwerken. Ook is het belangrijk om naar het team terug te koppelen wat er in de netwerken gebeurt. Daarnaast blijkt dat een te grote groep niet hanteerbaar is. Talent Primair wil de netwerken voortzetten. Ook het netwerk ‘Excellentie en Hoogbegaafdheid’ wordt opnieuw gestart, met kleinere groepen en duidelijker afspraken. Een nieuw thema is ‘eigenaarschap’: leerlingen moeten meer eigen verantwoordelijkheid krijgen voor hun leerproces. Ook moet er aandacht komen voor het werken in leerkringen op de scholen zelf. Deze thema’s komen terug in het directieberaad.  

Bijeen daagt uit

Bijeen daagt uit Verbinden, eigenaarschap en de eigen kracht van de organisatie. Met deze trefwoorden duidt algemeen directeur Zweers Wijnholds de aanpak Samen leren inhoud geven aan, waarmee in de Hoogeveense stichting Bijeen de lerende organisatie handen en voeten krijgt. “De afgelopen periode staat het ontwikkelaspect ‘Koers’ centraal”, vertelt algemeen directeur Zweers Wijnholds van Bijeen, de stichting voor openbaar primair onderwijs in Hoogeveen. De stichting omvat dertien basisscholen in Hoogeveen en omgeving. “In juni hebben we een nieuw strategisch beleidsplan gepresenteerd, waarbij we iedereen hebben betrokken: teamleden, directieleden, stafmedewerkers, bestuursleden en de Gemeenschappelijke Medezeggenschapsraad. Daardoor is er eigenaarschap ontstaan. Wat ik daarbij belangrijk vind, is dat we verbindingen leggen. Zo zien we dat leerkrachten en onderwijsassistenten steeds beter op de hoogte zijn van elkaars deskundigheid.” Schoolbezoeken Eén van de zaken die Wijnholds zelf heeft opgepakt, is het consequent afleggen van schoolbezoeken. “Zo proef ik en voel ik hoe een school aan het werk is en kan ik daar ook invloed op hebben. Dat doe ik door het vertonen van voorbeeldgedrag. Het is bijvoorbeeld belangrijk om van fouten te leren. Maar dan is er wel het vertrouwen nodig dat je niet wordt afgerekend op iets wat er is geprobeerd en niet is gelukt. Ik wil dat de mensen uitgaan van de eigen kracht en zelf aan de slag gaan. Fouten mogen maken hoort daarbij.” Projectgroepen In het strategisch beleidsplan zijn een aantal speerpunten benoemd die door projectgroepen worden uitgewerkt. Zo is er een projectgroep ‘Kwaliteit & Audits’ in gericht. “Twee directeuren zijn geschoold tot auditor. Zij leggen nu auditbezoeken af bij collega-directeuren. Dat is een nieuwe rol voor de collega’s en vraagt van beide kanten professionaliteit. Dat kan best lastig zijn. We gaan ermee om door de ongemakkelijke gevoelens bespreekbaar te maken.” Een andere projectgroep is ‘Wetenschap en Techniek’. Hierin werkt Bijeen samen met Bètapunt Noord en met de school voor voortgezet onderwijs Wolfsbos. “Alle bovenbouwleerlingen maken kennis met de technieklessen op de Wolfsbos. Daar worden de vo-leerlingen ook bij betrokken. De vo-docenten worden geschoold in het begeleiden van basisschoolleerlingen en onze leerkrachten worden geschoold in de voorbereiding van de technieklessen. In Hoogeveen is de technische sector belangrijk, vooral in het midden- en kleinbedrijf. We willen dat er goed geschoolde technici op de arbeidsmarkt komen.” Bijeen daagt uit Veranderingen binnen een school vragen soms om begeleiding van externe experts. Maar de directeur moet altijd de regie houden. De aanpak van School aan Zet spreekt Wijnholds daarom aan. “De experts van School aan Zet zetten het proces in gang, ze stellen de goede vragen en ze ontlasten waar het kan. Maar de schoolontwikkeling is en blijft van de school.” Eén van de scholen van Bijeen is referentieschool voor School aan Zet (OBS de Posthoorn). Een andere school neemt deel aan een landelijk excellentietraject. “De nieuwe slogan van Bijeen is: Bijeen daagt uit. We dagen leerkrachten, kinderen, ouders en onszelf uit om nieuwsgierig te blijven en te willen groeien. Dat is onze manier om goed onderwijs te geven.” Tekst: Susan de Boer  

Nieuwe inzichten toepassen

Nieuwe inzichten toepassen Nieuwe ideeën opdoen. Dat is voor clusterdirecteur Map Schepers van Stichting Openbaar Onderwijs Oost Groningen het doel van de deelname aan de inspiratiesessies van Lead & Learn PO. Samen met vier schoolcoördinatoren volgt hij de bijeenkomsten. “De onderlinge band wordt steviger.” “In Oost Groningen hebben we te maken met 25 procent krimp. Maar de impact daarvan op de afzonderlijke scholen is niet overal hetzelfde. Daarom hebben we de scholen van Stichting Openbaar Onderwijs Oost Groningen verdeeld in zeven clusters”, zegt Map Schepers, directeur van cluster 6. Dit cluster omvat OBS Hendrik Wester in Oude Pekela, OBS de Noordkaap in Oostwold, SWS de Driesprong in Vriescheloo en OBS de Vlonder in Wedde. De scholen zelf worden geleid door een coördinator. “Op deze manier bieden we stabiliteit voor de scholen en kunnen we van en met elkaar leren. Daarnaast profiteren we van schaalvergroting. Scholing bijvoorbeeld wordt toegankelijker voor meer leerkrachten.” Onderlinge band De coördinatoren die zijn aangesteld op de scholen van cluster 6 zijn ambitieus en volop in ontwikkeling. Schepers: “Dat vraagt veel coaching, maar biedt ook kansen. Deze mensen willen zichzelf en hun scholen graag verder ontwikkelen. Lead & Learn PO van School aan Zet is daarvoor een goede plek. We vinden hier nieuwe invalshoeken om schoolontwikkeling op gang te helpen. Omdat we gezamenlijk deelnemen aan de inspiratiesessies, voeren we onderweg in de auto interessante gesprekken. We praten over nieuwe inzichten en mogelijkheden om die toe te passen. De onderlinge band wordt steviger. Dat is duidelijk een meerwaarde van dit traject.” Gezamenlijk functioneringsgesprek Eén van de ideeën gaat Schepers dit schooljaar nog in praktijk brengen: het gezamenlijke functioneringsgesprek. “Dat is een geschikte vorm voor een van ‘mijn’ scholen. De leraren vertrouwen elkaar en gaan graag aan de slag met nieuwe aanpakken. In een gezamenlijk functioneringsgesprek bespreken we met elkaar wat we zouden kunnen verbeteren. Er gaat een traject aan vooraf, waarin leerkrachten bij elkaar in de les kijken. Ook maakt iedereen van zichzelf een functioneringsverslag en stelt één prangende vraag aan een collega. Ik verwacht dat die vragen betrekking hebben op wat men ziet in de les en wat de collega daar zelf over zegt. Vervolgens kijken we wat voor leervragen dit oplevert en hoe we die gaan oppakken. Zo krijgen we kwalitatief betere gesprekken, en dat leidt weer tot beter onderwijs.” www.schoolaanzet.nl

Gelukkige mensen maken beter staal

Gelukkige mensen maken beter staal Samenwerking tussen onderwijs en bedrijfsleven is belangrijk. Met de blik van een andere bedrijfscultuur kijken naar de eigen processen, is verhelderend voor beide partijen. “Het is de moeite waard om je bezig te houden met de ontwikkeling van je medewerkers. De kwaliteit van je mensen is de kern van de kwaliteit van je organisatie.” Aan het woord is Rolf Deen, Talent & Performance Manager van Tata Steel en zeven jaar lang de leider van de bedrijfsschool. Tata Steel is een ‘lerende organisatie’. Dat betekent dat het bedrijf inspeelt op de ontwikkelingen in de samenleving en dat het personeelsbeleid erop is gericht de medewerkers het beste uit zichzelf te laten halen. Deen: “De ontwikkelingen in de technologie gaan razendsnel. Als wij ons niet blijven ontwikkelen, niet iedere dag willen leren, zijn we zo uit de markt.” Beter staal Ook in het onderwijs is het belangrijk dat bestuurders, schoolleiders en leraren zich blijven ontwikkelen, vindt Deen. “Voor iedere organisatie is dat belangrijk. Stilstand is achteruitgang. Maar het gaat ook om menswaardigheid. Als je als leidinggevende tegen de medewerkers zegt dat het niet uitmaakt of ze wel of niet iets leren, dan heb je eigenlijk weinig respect voor ze. Mensen ontwikkelkansen geven stimuleert ze. Het maakt mensen ook gelukkiger. En gelukkige mensen maken beter staal, daar ben ik van overtuigd. Er kunnen zoveel dingen mis gaan. En dat geldt voor ieder beroep, ook voor het onderwijs. We kennen allemaal de verhalen over de bevlogen leraar, maar we weten ook dat er leraren zijn die ieder jaar hetzelfde grapje vertellen of chagrijnig voor de klas staan. Een lerende organisatie zorgt ervoor dat mensen in ontwikkeling blijven. Je leert van fouten, je ziet kansen om te verbeteren. Daarvoor is het nodig dat mensen met elkaar praten. Leraren moeten elkaars lessen becommentariëren, gesprekken voeren met leerlingen en ouders, communiceren, altijd open staan voor een blik van buiten naar binnen.” Lees het hele artikel Gelukkige mensen maken beter staal

Excellente docenten met breed netwerk

Excellente docenten met breed netwerk Docenten met een academische opleiding verhogen de kwaliteit van het onderwijs. Ze kijken verder dan de schoolmuren en stimuleren hun leerlingen en collega’s om een onderzoekende houding te ontwikkelen. Met het programma Eerst De Klas krijgen universitair afgestudeerden de kans om een eerstegraads lesbevoegdheid te halen en tegelijkertijd leiderschapskwaliteiten te ontwikkelen in het bedrijfsleven. Vanuit de achterliggende gedachte dat goed leraarschap goed leiderschap is en andersom. “Voor de kwaliteit van het onderwijs is het nodig dat er in de school een balans is tussen universitair en hbo-opgeleide leraren”, zegt Eugene Bernard, bestuursvoorzitter van Vereniging Ons Middelbaar Onderwijs in Brabant. “Academici zijn opgeleid tot onderzoeker en kijken daardoor anders naar het vak. Ze zijn meer gericht op kennis creëren, terwijl hbo-opgeleiden gericht zijn op kennis toepassen. Beide typen heb je nodig in een goede school.” Breed netwerk Die balans is er nog wel in de scholen van Ons Middelbaar Onderwijs, maar Bernard maakt zich zorgen over de toekomst. “De meerderheid van de universitair opgeleide docenten is 55-plus. Als zij met pensioen gaan, ontstaat er een probleem. Op dit moment zie ik te weinig uitstroom vanuit de universitaire lerarenopleidingen om het toekomstige tekort op te vangen.” Dat komt mede doordat de universitaire route niet aantrekkelijk is voor vwo-leerlingen die al zeker weten dat ze leraar willen worden, vermoedt Bernard. “Een hbo-opleiding tot eerstegraads leraar neemt vier jaar in beslag. Aan de universiteit ben je minstens een jaar meer kwijt. De universitaire lerarenopleidingen zouden zich daarop moeten bezinnen.” Het programma Eerst De Klas ziet Bernard daarom als een welkome aanvulling op de bestaande opleidingstrajecten. Eerst De Klas is een tweejarig traject voor ambitieuze academici die recentelijk hun universitaire studie met hoge cijfers hebben afgerond. Naast hun baan in het onderwijs krijgen zij een leiderschapsprogramma aangeboden in het bedrijfsleven, bestaande uit onder meer masterclasses en het uitvoeren van een project bij een organisatie, en volgen zij een maatwerkopleiding tot eerstegraads leraar. Het programma is in 2009 gestart als gezamenlijk initiatief van onderwijsinstellingen, het bedrijfsleven en de overheid met als doel om de beste academici een bijdrage te laten leveren aan het voortgezet onderwijs. Het grote voordeel van Eerst De klas is, dat deze docenten over een breed netwerk beschikken en daarmee perspectieven openen voor hun leerlingen. Bernard: “Het verrijkt de school. Samenwerking met het bedrijfsleven haalt de maatschappij binnen en maakt daarmee het onderwijs relevanter.” Lees het hele artikel Excellente docenten met breed netwerk

Met empathie de angst voor het vreemde overwinnen

Met empathie de angst voor het vreemde overwinnen Talen, buitenlandervaring, internationale inhoud en empathie zijn de bouwstenen van onderwijs dat voorbereidt op de toekomst, vindt Jan Anthonie Bruijn, immuunpatholoog en Eerste Kamerlid voor de VVD. De kinderen die dit jaar naar groep 1 van de basisschool gaan, solliciteren rond 2032 naar hun eerste baan. Op de eisen die dan gesteld worden, moet het onderwijs nu inspelen, vindt medisch specialist immunopathologie aan het Leids Universitair Medisch Centrum en Eerste Kamerlid Jan Anthonie Bruijn. Daarnaast is het belangrijk dat leraren zelf ook blijven leren. Bruijn bekleedt en bekleedde talloze functies in de wereld van onderwijs, wetenschap en technologie, zoals voorzitter AWT en lid klankbordgroep Lerarenagenda. Het is moeilijk te voorspellen aan welke kennis en vaardigheden de arbeidsmarkt en de samenleving in 2032 behoefte hebben. Welke ontwikkelingen signaleert u? “Ten eerste de technologische ontwikkeling. De kosten van transport en communicatie zijn de afgelopen decennia met negentig procent gedaald en dalen verder. Daarnaast worden de apparaten steeds kleiner, multifunctioneler en goedkoper. Met een smartphone kun je niet alleen telefoneren, maar ook fotograferen, betalen en navigeren. Dat alles heeft een enorme impact op het sociaal-culturele en economisch leven. De tweede belangrijke verandering is dat daarmee het vreemde dichterbij komt . Dat bedoel ik breed: taal, cultuur, religie, normen en waarden, markten, economische systemen. We zijn bang voor het vreemde, dat zit heel diep in ons en dat beschermde ons ook evolutionair. Maar nu zit de angst voor het vreemde ons in de weg. We zullen moeten werken aan overwinning van die angst en daarvoor is empathie nodig, de competentie jezelf te kunnen verplaatsen in de ander.” Lees het hele artikel Met empathie de angst voor het vreemde overwinnen

Schoolontwikkeling is nooit klaar

Schoolontwikkeling is nooit klaar Alle scholen van Stichting LOGOS willen lerende organisaties zijn, waar leren van en met elkaar vanzelfsprekend is. Hiervoor worden directeuren en teamleden in positie gebracht. LOGOS is een van de besturen die aan de slag is met de aanpak Samen Leren Inhoud Geven. “In een lerende organisatie hangen verschillende aspecten van schoolontwikkeling met elkaar samen”, zegt Ton Bavinck, bestuursmanager van Stichting LOGOS voor Protestants Christelijk Onderwijs, een bestuur van veertien scholen in Gorinchem, Leerdam en Lingewaal. “Het is bijvoorbeeld nodig dat de directeuren weten wat we bedoelen met ’lerende organisatie’ en in staat zijn om hun team in die richting te begeleiden. Dat vraagt iets van hun leidinggevende capaciteiten. De teamleden op hun beurt moeten over bepaalde competenties beschikken om een thema, bijvoorbeeld ‘onderwijs aan meer- en hoogbegaafde leerlingen’ in de klas vorm te geven.” Stap Een pilot met een interne audit op één van de scholen, waarbij experts van School aan Zet betrokken waren, bleek succesvol. Daarop werd besloten om deze experts ook in te schakelen bij een schoolontwikkeltraject van alle LOGOS-scholen. “Met alle directeuren hebben we eind september in een plenaire bijeenkomst van gedachten gewisseld over de school als lerende organisatie”, vertelt Bavinck. “We hebben onder meer de verschillende aspecten van het Ontwikkelmodel Samen Leren Inhoud Geven verkend. Nu, eind oktober, zijn de directeuren met hun teams en met een expert van School aan Zet hetzelfde aan het doen. Daarbij zoeken ze de verbinding met de eigen schoolontwikkeling. Iedere school is weer anders en de scholen zullen daarom eigen accenten leggen. Maar uiteindelijk willen we dat aan het eind van dit schooljaar op alle scholen er zichtbaar een stap is gezet naar een lerende organisatie.” Leergemeenschappen Inhoudelijke ontwikkeling vindt plaats in zogenoemde leergemeenschappen. Op basis van een beleidsnotitie, die is geschreven door een themawerkgroep van directeuren, intern begeleiders en eventueel vakspecialisten, worden er standaarden ontwikkeld waaraan alle LOGOS-scholen op een bepaald thema moeten voldoen. In de leergemeenschappen werken leerkrachten deze thema’s verder uit. “Momenteel zijn er vier leergemeenschappen: Tiener- en juniorcollege, Meer- en hoogbegaafden, het Jonge Kind en de Autismevriendelijke school”, zegt Bavinck. “We leggen als bestuur visitaties af waarin we nagaan of de standaarden door alle scholen worden nageleefd.” Het Tienercollege is een aanpak waarin kinderen van 10 tot 14 een doorgaande leerlijn van basis- naar voortgezet onderwijs doormaken. Het onderwijsconcept, dat berust op gepersonaliseerd leren in een rijke leeromgeving en een sterke verbinding heeft met 21st century skills, is eigenlijk de ultieme doorontwikkeling van Handelingsgericht Werken en staat model voor het toekomstig onderwijsconcept van alle LOGOS-scholen. Permanente aandacht De samenstelling van de schoolteams is een belangrijke factor in het traject. Bavinck: “Sommige leerkrachten zullen voorop lopen, anderen zullen terughoudender zijn. Dat geeft niet, als de ontwikkeling op een school maar niet stagneert. Als bestuur zijn we verantwoordelijk voor goed functionerende teams, en voor directeuren en intern begeleiders die hun positie als voortrekker en ondersteuners goed innemen. Daarnaast blijft schoolontwikkeling permanent aandacht vragen: het is nooit klaar.” Lees meer op www.schoolaanzet.nl

Betrokkenheid bij medewerkers verhoogt hun output. Dat mag tijd kosten

Betrokkenheid bij medewerkers verhoogt hun output. Dat mag tijd kosten Het internationale hoofdkantoor van Shell in Den Haag is de locatie van het tweede bedrijfsbezoek van de schoolleiders van het voortgezet onderwijs die deelnemen aan het School aan Zet-programma ‘Bedrijfsbezoeken’. Shell is een enorm groot bedrijf. Het hoofdkantoor alleen al telt 4.000 werknemers. Het bedrijf participeert als één van de ‘founding fathers’ in het samenwerkingsverband van overheid, onderwijs en bedrijfsleven Jet-Net, dat in 2002 is opgericht. President-directeur Shell Nederland Dick Benschop, zelf ooit begonnen als docent geschiedenis, benadrukt in zijn inleiding het belang van kennis delen en ervaringen uitwisselen. “Als je schoolleider wordt, is het eerste wat je doet bij de beste school kijken hoe daar leiding wordt gegeven. Zo is het ook bij bedrijven, je wilt leren van de beste. Zo word je succesvol.” Leiders van morgen “De leiders van nu zijn niet de mensen die morgen leiding geven”, vertelt Graduate Recruitment Manager Elmer Schaap in zijn inleiding. Hij houdt zich bezig met het aantrekken van hoogopgeleide studenten, ‘high potentials’, die op termijn op de organisatie gaan leiden. “We kijken strategisch naar het onderwerp. Hoe kunnen we talenten verder brengen? Wie zitten er in de pijplijn? Krijgt hij of zij voldoende uitdaging?” Leiders leiden andere leiders op, is de filosofie. Leidinggevenden moeten daarom hun medewerkers begeleiden en coachen en ze steeds een volgende stap laten zetten. Betrokkenheid van leidinggevenden bij hun team is heel belangrijk. De output van de mensen hangt rechtstreeks samen met de betrokkenheid van de leidinggevenden bij hun ontwikkeling. ” Marloes Michon, Jet-Net-voorzitter en vice-president Human Resources van Shell in Nederland, Belgie, Luxemburg en Frankrijk vult aan: “Medewerkers beoordelen de lijnmanagers regelmatig in een ‘people survey’. Daarin wordt gevraagd hoe lijnmanagers zich ontwikkelen in het aansturen van hun afdeling en hoe betrokken de leidinggevende is bij de ontwikkeling van de mensen die hij of zij aanstuurt. Het is heel belangrijk om goed te scoren op die survey.” Standaardiseren De deelnemers kiezen vervolgens voor één van de drie door Shell-medewerkers geleide workshops. Elmer Schaap begeleidt de workshop ‘Competentiegericht werven en selecteren.’ Daarbij is standaardiseren het sleutelwoord. “Dat helpt om het selectieproces makkelijker en professioneler te maken. Je haalt het gevoel eruit.” Alle Shell-kandidaten moeten of een assessment ondergaan, of een stage lopen van twaalf weken tot een jaar. Zo is te beoordelen of iemand werkelijk past binnen de organisatie. Marijke Swart, teamleider vwo van de Van der Capellen scholengemeenschap in Zwolle, vertelt dat haar ‘leervraag’ van vandaag is om uit te vinden hoe je ermee om kunt gaan als er bij een beperkt aanbod aan sollicitanten eigenlijk niet echt de goede zit. “Ik heb geleerd dat je in ieder geval geen compromissen moet sluiten”, vertelt ze. “Wel kun je een ontwikkeltraject inzetten. Shell werkt veel doelgerichter dan het onderwijs. Ontwikkelen doet ertoe. Als je dat standaardiseert en formaliseert, zorg je dat ook de organisatie bij de les blijft.” Project aansturen ‘How to shorten the time to autonomy’ is de titel van de workshop van Paul de Held. De Held verzorgt voor Shell trainingen van de technische staf. “Een traject duurt nu zes jaar. De projecten zijn complex. Voor iemand in staat is zelfstandig een project aan te sturen, moet hij of zij veel hebben geleerd, zowel in trainingen als op de werkvloer onder supervisie. Soms zijn er tijden van tekort. Dan kun je, als je goed ondersteunt, iemand eerder volwaardig inzetten.” In het onderwijs staan mensen meteen hun eerste jaar al zelfstandig voor de klas. Toch duurt het jaren voor iemand niet alleen beschikt over de ‘awareness’ en ‘knowledge’, maar ook over ‘skills’. De Held: “Een leidinggevende moet altijd assesmentachtig naar mensen kijken. Als groeien in de hoogte er niet inzit, kan groeien in de breedte: ervaren werknemers kunnen leidinggevenden ondersteunen bij hun issues.” Targets “Leren doen mensen het beste op de werkvloer”, zegt Shell HR Manager Claudette Verschut in de workshop ‘Coaching en persoonlijke ontwikkeling. De rol van de lijnmanager’. “Google maar eens op 70-20-10. Tien procent leer je tijdens formele scholing, twintig procent door coaching en feedback en zeventig procent door het in de praktijk zelf te doen.” Mensen kunnen zich ontwikkelen door naast de gewone werkzaamheden verantwoordelijk te zijn voor een project. “In een schoolsituatie kan iemand als target krijgen ervoor te zorgen dat er zoveel procent meer ouders naar de ouderavond komen. Of dat er zoveel procent minder uitvallers zijn in 4-havo.” Verantwoordelijk zijn voor een project betekent, dat de medewerker op het resultaat wordt aangesproken. Zelf heeft Verschut dit jaar als target alle organisatiewijzigingen door de ondernemingsraad te loodsen. “Daar word ik straks op afgerekend. Heb ik het doel gehaald? Zo nee, wat ga ik daaraan doen?” Maar een medewerker staat er niet alleen voor. Leidinggevenden moeten veel van hun tijd besteden aan coachen en begeleiden: twintig procent. Denise Maschke van Mavo aan Zee spreekt deze aanpak zeer aan. “Ik ga het ontwikkelen van talenten van medewerkers nieuw leven inblazen. En daar trek ik een dag in de week voor uit.” Verslag van Susan de Boer zie ook: Bedrijfsbezoek Shell

Verbetering in de organisatie, organisatie in de verbetering

Verbetering in de organisatie, organisatie in de verbetering Schoolleiders uit het voortgezet onderwijs bezoeken samen met een collega vijf bedrijven. Tijdens ieder bezoek staat een aspect van het Ontwikkelmodel Lerende Organisatie centraal. Ruim veertig deelnemers aan het School aan Zet-programma ‘Bedrijfsbezoeken’ verzamelen zich vrijdag 18 september in het congrescentrum van Tata Steel in Velsen-Noord. Het congrescentrum ligt vlak aan het industrieterrein en vormt daarmee een inspirerend decor voor de presentaties en de workshops. Leerpunten “Feedback geven betekent dat je leerpunten benoemt en dat is belangrijk in de kwaliteitscyclus”, zegt Marijke Swart, teamleider vwo van de Van der Capellen scholengemeenschap in Zwolle. “Maar het is lastig als mensen aan de grens zitten van wat ze kunnen leren. ik ben benieuwd hoe Tata Steel daarmee omgaat.” Hans van Berkum, directeur van Mavo aan Zee in Den Helder ziet het bedrijfsbezoek als een unieke kans om te kijken hoe het bedrijfsleven HRM organiseert. “We kunnen leren van scholing die is gericht op functies. Hoe geef je feedback op de werkvloer zelf? Hoe organiseer je dat? Dat wil ik graag weten.” Zijn collega Peter Helderman, directeur van Beroepsonderwijs aan Zee, voegt toe: “Het gaat erom dat je terugkoppeling geeft op het gedrag dat je ziet. Komt dat overeen met het gedrag dat je wil zien? Dat geldt niet alleen voor de leerlingen, maar ook voor de docenten.” Leren van anderen “Een van de waarden die wij als bedrijf in de praktijk brengen is dat wij ons verantwoordelijk willen opstellen naar de samenleving”, zegt Talent & Performance Manager Rolf Deen in zijn welkomstwoord. “We vragen wat van de omgeving, we nemen ruimte in, we gebruiken grondstoffen. We geven daarom graag iets terug. Daarnaast willen we graag ook van anderen leren. We vinden het belangrijk dat anderen naar ons kijken en ons vertellen wat ze zien.” Staal In drie inleidingen gaan medewerkers van Tata Steel in op het belang van goed personeelsbeleid en de plaats die het geven van feedback daarin heeft. Govert Kockelkoren, director Manufacturing Rolling & Coating, vertelt bevlogen over de processen die nodig zijn om van ijzererts staal en vervolgens – bijvoorbeeld – onderdelen van auto’s te maken. “Het menselijk handelen blijft de belangrijkste schakel. Veiligheid is hier bijzonder belangrijk, daarom is iedereen op veiligheid aanspreekbaar.” General Manager Business Excellence Marielle Scalé-Goettsch legt vervolgens uit hoe Tata Steel strategie vertaalt naar de organisatie. Ze geeft ons een belangrijke tip mee: “Strategie in praktijk brengen is een kwestie van doen. Er is genoeg verbetering in de organisatie. Dat geeft energie. Om dat vast te houden, moet je zorgen voor organisatie in de verbetering.” De laatste spreker is Ineke Kramer, Talent and Performance Manager. “Wij maken beter staal door goed feedback-management”, vertelt ze. “De prestaties van de teams worden steeds gemeten en besproken. Dat hebben we beschreven in processen. Ieder kwartaal leggen we de focus op een ander aspect, bijvoorbeeld opvolging of talentontwikkeling. Zo zie je wat de successen zijn en welke onderdelen achterblijven.” Lessen uit de workshops Daarna volgen vijf workshops. In de workshop ‘Feedback in teams’ komt onder meer de vraag aan de orde hoe je ervoor kunt zorgen dat mensen door de feedback niet worden beschadigd. “Het gaat erom dat je het proces goed structureert”, vertelt de rapporteur. “Feedback geven is een vak, dat kun je niet zomaar.” De workshop ‘Coachend leiderschap’ gaat in op het beoordelingssysteem van Tata Steel. “Het gaat om de rol, niet om de persoon. De kennis en vaardigheden en het gedrag dat bij die rol hoort: daarop moet je presteren.” In de workshop ‘Veranderen mogelijk maken’ staat leiderschap centraal. “In een veranderende omgeving moet de leidinggevende voorbeeldgedrag vertonen. Daarnaast kan de leidinggevende mensen motiveren met een verhaal.” De les uit workshop ‘Continu verbeteren, een continue feedbackloop’ luidt: veranderen is pas mogelijk als de basis op orde is. “Wat we hebben meegekregen is dat we vooral open vragen moeten stellen. Dan krijg je interessante antwoorden.” Uit de workshop ‘360 graden feedback’ komt naar voren dat je je eigen ‘blinde vlekken’ kunt ontdekken door mensen uit verschillende lagen van de organisatie vragen te stellen over jouw functioneren. Bijvoorbeeld: waar moet ik mee doorgaan, waar moet ik mee stoppen en waar moet ik mee beginnen? Tips “Ik heb goede tips gekregen in de workshop”, vertelt sectordirecteur havo/vwo Ingrid Tjio van het Regius College in Schagen. “Als je het functioneren van een teamleider in het managementteam bespreekt, voordat je met die persoon zelf spreekt, krijg je een breder beeld. Dat voorkomt dat je te eenzijdig naar iemand kijkt. Een andere tip is om te vragen wat iemands bijdrage is aan de missie en de visie van de school. Dat vragen we wel aan de vaksecties, maar niet aan de individuen.” Ook Tata Steel heeft geleerd van de bijeenkomst. Ineke Kramer: “Zo hoorde ik van een schoolleider dat je een feedbacksituatie veiliger kunt maken door acteurs in te zetten. Mensen kunnen dan commentaar geven op het gedrag dat de acteur vertoont, en samen bedenken hoe het beter kan. Die ga ik onthouden.” Lees meer over Bedrijfsbezoeken voor schoolleiders

Schoolleider 2.0 worden met Lead & Learn PO

Schoolleider 2.0 worden met Lead & Learn PO Een school voor voortgezet speciaal onderwijs die deel uitmaakt van een justitiële inrichting is voor een schoolleider met onderwijskundige ambities een uitdaging. Daarom neemt Angela Franken, locatiedirecteur van het Kompas College, deel aan de inspiratiesessies Lead & Learn PO. “Door je positie ben je soms eenzaam in het team. Ik wil graag met andere schoolleiders sparren over schoolontwikkeling.” “Het Kompas College is best een ingewikkelde school, in allerlei opzichten”, zegt Angela Franken. Zij is schoolleider van VSO-school Kompas College. Alle leerlingen van deze school verblijven in de Rijks Justitiële Jeugdinrichting De Hartelborgt. Deze jongeren – van 15 tot 25 jaar – zijn strafrechtelijk veroordeeld of in afwachting van een opgelegde maatregel. “Wat het bijvoorbeeld ingewikkeld maakt, is dat ik zowel met de ambities en de visie van het schoolbestuur Aloysius te maken heb, als met de verwachtingen en eisen van justitie en de beperkingen die gepaard gaan met een gesloten setting.” Drijfveren Anderhalf jaar is Franken nu schoolleider van deze school. Zij wil bereiken dat de school werkelijk een school wordt, met schoolse doelen. Het is belangrijk om het team hiervoor te motiveren. “Een aantal docenten werkt al langer bij Het Kompas. Destijds werden de doelen anders gesteld, minder op opbrengsten gericht. Mijn ambities liggen juist op het vlak van ontwikkeling, ik wil dat de leerlingen iets leren. Om het team te motiveren, ga ik op zoek naar hun drijfveren, de intrinsieke motivatie die maakt dat ze met deze moeilijk groep willen werken. Ik word daarbij geconfronteerd met mijn eigen automatismen. Ik denk snel: zo deed ik het op mijn vorige school, zo werkt het hier ook. Maar werken in een masculiene werkomgeving als justitie betekent dat je met een andere dynamiek te maken krijgt. Dit is een zoektocht.” Wat verwacht je van Lead & Learn PO? “Tijdens mijn deelname aan Lead & Learn PO verwacht ik schoolleiders tegen te komen, met wie ik van gedachten kan wisselen over zaken als schoolontwikkeling en communicatie met teamleden. In een sociale context leer je meer dan als je in je eentje reflecteert. Ik wil een schoolleider 2.0 worden en van Het Kompas College een school maken waar er continu scherp naar de onderwijskwaliteit wordt gekeken om zo alle leerlingen altijd het beste onderwijs te kunnen geven.” Lees meer over Lead & Learn  

Leerlingen beter bedienen door symbiosetraject

Leerlingen beter bedienen door symbiosetraject RENN4 in Friesland gaat samen met de samenwerkingsverbanden voor het voortgezet onderwijs ervoor zorgen dat het onderwijs aan leerlingen van het vso beter aansluit bij hun cognitieve mogelijkheden. RENN4 is een van de besturen die aan de slag is met de aanpak Samen Leren Inhoud Geven. RENN4 verzorgt gespecialiseerd onderwijs voor leerlingen met specifieke behoeftes op het terrein van leren en gedrag in de drie noordelijke provincies. In de provincie Friesland maken drie scholen voor voortgezet speciaal onderwijs deel uit van RENN4: De Zwaai in Drachten, De Witakker in Rijs en De Monoliet in Leeuwarden. Deze drie scholen vormen nu met de drie Friese samenwerkingsverbanden voor voortgezet onderwijs een netwerk om zogenoemde symbiosetrajecten vorm te geven. “In het voortgezet speciaal onderwijs geven we geen les op havo en vwo-niveau, terwijl sommige van onze leerlingen dat goed zouden aankunnen. Die leerlingen willen we beter bedienen”, vertelt Marcel Andringa, provinciedirecteur van RENN4 Friesland. “We zijn in het voorjaar van 2015 met de samenwerkingsverbanden en de directeuren bij elkaar gaan zitten om te kijken hoe we onze expertises kunnen bundelen. We willen voorkomen dat we allemaal zelf het wiel gaan uitvinden.” Symbiosetrajecten De bedoeling is dat er ‘symbiosetrajecten’ worden ontworpen. In een symbiosetraject blijft de leerling ingeschreven bij de eigen VSO-school. Hij of zij volgt daar ook onderwijs, maar gaat daarnaast een aantal dagen of dagdelen per week naar de reguliere school voor voortgezet onderwijs. Andringa: “Voor het mbo kennen we dergelijke trajecten al. Met de ROC’s Frieslandcollege en Friese Poort hebben we structurele afspraken over de instroom van onze leerlingen op het mbo.” Het gaat Andringa nadrukkelijk om het structurele karakter van de afspraken. “Het is voor de leerling natuurlijk maatwerk. Leerlingen zitten op verschillende niveaus en in verschillende leerjaren en dat maakt het op praktisch niveau lastig. Maar over de bekostiging en de organisatie kunnen we structurele afspraken maken. Momenteel voeren we een pilot uit met De Zwaai, CSG Liudger en Scholengemeenschap Singelland om te onderzoeken wie de regie moet hebben en hoe de financiering moet lopen.” Cultuuromslag Andringa vindt dat RENN4 een lerende organisatie is. Zo richten de scholen van RENN4 zich steeds meer naar buiten. “Deskundigheid en informatie wordt gedeeld, zowel op bovenschools niveau als binnen de school. Het speciaal onderwijs maakt echt een slag. We zien dat het onderwijs nu centraal staat en de zorg aanvullend is. Dat vraagt een cultuuromslag bij het personeel. School aan Zet fungeert daarbij duidelijk als aanjager. De expert van School aan Zet legt de verbinding tussen de samenwerkingsverbanden, zorgt dat we gefocust blijven, en levert ons expertise en informatie over landelijke ontwikkelingen. Het is voor alle scholen van belang dat we deze ontwikkeling doormaken.” Lees meer over Samen leren Inhoud Geven

Verslag Conferentie aansluiting PO-VO 30 september 2015

Verslag Conferentie aansluiting PO-VO 30 september 2015 Voor een goede afstemming van het voortgezet onderwijs op het basisonderwijs is samenwerking nodig. In regionale PO-VO-netwerken leren leerkrachten van het PO en docenten van het VO elkaars methodes en didactische aanpak kennen. Goede communicatie blijkt cruciaal. De conferentie over de aansluiting tussen het primair en het voortgezet onderwijs op 30 september 2015 is een vervolg op de conferentie over hetzelfde onderwerp van het jaar daarvoor. “In het afgelopen jaar is er veel gebeurd”, zegt dagvoorzitter en projectleider Gea Spaans. “Maar belangrijke onderwerpen blijven: wie pakt de regie? Wat merken de leerlingen ervan? En natuurlijk de continuïteit: hoe geef je een vervolg aan veelbelovende aanpakken?” Mensenwerk Een belangrijke ‘sleutel tot succes’ is een goede gegevensuitwisseling. Dat blijkt uit het onderzoek dat Onderwijsinspecteur Kees Lintermans in Eindhoven uitvoerde naar de factoren die een rol spelen bij de overstap van het PO naar het VO. “Toch is de belangrijkste factor dat er iemand bij het samenwerkingsverband zit, die iedereen helpt die het spoor bijster raakt. Met andere woorden: het is mensenwerk.” Een andere belangrijke factor is ouderbetrokkenheid: “Zie ouders als educatieve partner. Zorg dat de verwachtingen van ouders gelijk op gaan met de verwachtingen van de school.” Ook is het belangrijk dat leerlingen in groep 8 worden voorbereid op de gang van zaken in het voortgezet onderwijs. “Je kunt op de basisschool al laten oefenen met een huiswerkagenda, van lokaal laten wisselen, leerlingen les laten krijgen van verschillende leerkrachten.” Opbrengsten Vier PO-VO-netwerken schetsen in vogelvlucht een beeld van hun opbrengsten. In Rotterdam Zuid zijn scholen aan de slag gegaan met het beter begeleiden van hoog- en meerbegaafde leerlingen. Boudewijn Hogeboom, expert van School aan Zet: “Met een quickscan breng je snel kinderen in beeld die meer aankunnen. Hoog- en meerbegaafde leerlingen hebben zelf meegewerkt aan de quickscan.” In Alkmaar zijn stappenplannen voor rekenen ontwikkeld. Rekenexpert Lionel Kole: “Hiermee kun je leerlingen vaardiger maken in het oplossen van rekenvraagstukken.” De stappenplannen zijn te vinden op de website van School aan Zet. In Wolvega, Dedemsvaart en Wieringen zijn PO-VO-netwerken aan de slag gegaan met Engels. Kris Verbeeck, School aan Zet-expert voor Engels: “Het Engels heeft op de basisschool een andere status dan op het VO. Leerlingen stromen op heel verschillend niveau in.” Het Tienercollege in Gorinchem, dat onderwijs geeft aan leerlingen van 10 tot 14 jaar, werkt aan taal. De leerlingen geven zelf een beeld van de aanpak, over spreken bijvoorbeeld: “Spreken oefenen wij bij Pick me up. Dat is iedere week. We vertellen dan over bijvoorbeeld de eigen leervraag en hoe we daaraan werken.” Netwerksessies In de netwerksessies gaan de deelnemers met elkaar in gesprek. In drie zalen – Taal en rekenen, Digitale leefomgeving, excellentie, attitude en Engels, overdracht van informatie en eindtoets – verzamelen deelnemers zich in groepjes bij posters waarop de netwerken hun aanpakken en resultaten presenteren. Bij de poster van Tytsjersteradiel /CSG Liudger vertelt Johan van der Hoek, economieleraar bij Liudger, over de totstandkoming van een Basisdocument Rekenen. “Het doel is dat er op de basisschool dezelfde rekenstrategieën worden gebruikt als op het Liudger. We hebben van drie domeinen steeds twee strategieën beschreven. Die moeten de leerlingen in ieder geval kennen.” Anneke Meinsma van PCBO vult aan: “Op een studiedag met basisschoolleraren hebben we het gelanceerd. Iedereen mocht erop schieten. Nu laten we het opmaken en gaan we het gebruiken.” Het vak rekenen is nieuw in het voortgezet onderwijs. Van der Hoek: “Onze aanpak onderling verschilt ook. Doordat we er in studiedagen over hebben gepraat, zien we het nu als een leerling een andere strategie kiest.” Taal in Zwolle Bij PO-VO Zwolle vertelt netwerkvoorzitter Judith van Rooijen hoe de scholen aan de slag zijn gegaan met taal. “Het is ingewikkeld om gezamenlijk een visie te maken. Daarom zijn we eerst per sector gaan kijken welke knelpunten er zijn. Die kun je naast elkaar leggen en zo kom je langzaam tot elkaar.” Begrijpend Lezen bleek voor iedereen een belangrijk onderwerp. Er is veel tijd besteed aan afstemmen en leraren hebben over en weer lesbezoeken afgelegd. Van Rooijen: “Dat verhelderde veel. Want leraren in het VO denken al gauw: in het basisonderwijs hebben ze de hele dag en wij maar een uurtje. En in het PO denken de leraren: jullie hebben tenminste homogene groepen.” Beweging Naast de netwerksessies is er tijd ingeruimd voor kennisoverdracht. Experts van School aan Zet praten daarin de deelnemers bij over diverse thema’s die een rol spelen bij de overstap PO-VO. Bij de sessie Verplichte eindtoets en regionale overgangsprocedures kijken Jessica Tissink van de VO-raad en Bernard Teunis van de PO-Raad terug op de veranderingen die het afgelopen jaar hebben plaatsgevonden. Vooral de mogelijkheid tot heroverweging van het schooladvies leidt tot stevige discussies. “Als een advies na heroverweging hoger uitvalt, moet de basisschool dat wel goed onderbouwen”, vindt een deelnemer. “Bijvoorbeeld met het leerlingvolgsysteem.” Een andere deelnemer vindt dat de basisschool achter het oorspronkelijke advies moet blijven staan. En als een leerling na heroverweging hoger is geplaatst, dan kijkt de inspectie naar het oorspronkelijke advies, dat is ongunstig voor het VO. Communicatie en vertrouwen zijn belangrijke elementen, stellen Tissink en Teunis vast. Dat geldt zowel voor de communicatie tussen scholen en ouders, als tussen PO- en VO-scholen. Tissink ziet dat vertrouwen en die communicatie wel groeien. “Vorig jaar was er meer een sfeer van wij tegen zij. Er is nu een beweging op gang gekomen waarin we het samen willen gaan doen.” Niet alles tegelijk “Ik heb veel geleerd vandaag”, zegt Annette Cox van het Dendroncollege in Horst na afloop. “Vooral op het gebied van hoogbegaafde leerlingen. Een eye-opener voor mij is, dat je leerlingen van het gymnasium kan inzetten om excellente leerlingen in groep 7 te begeleiden.” Richard Nooteboom van CC De Noordgouw in Heerde zegt: “Wat ik meeneem, is dat je klein moet beginnen. Met een pilot. Niet alles tegelijk doen.” Lees meer over de Aansluiting PO en VO  

Het beroepsonderwijs, de student en de samenleving

Het beroepsonderwijs, de student en de samenleving Een veranderende samenleving vraagt om arbeidskrachten die flexibel en zelfbewust zijn. De beroepsopleidingen moeten inspelen op deze vraag. Daarbij is het belangrijk oog te hebben voor de specifieke wensen en behoeften van een zeer diverse studentenpopulatie. “Wat hebben studenten in het middelbaar beroepsonderwijs nodig om goed opgeleid te worden voor de samenleving van de toekomst, waar lopen zij tegenaan, wat betekent dat voor het onderwijs? Daar willen we de vinger achter krijgen”, zeggen Youssef El Bouhassani en Perijne Vellekoop. Zij hebben respectievelijk in 2014 en 2012 deelgenomen aan de Nationale DenkTank. Jaarlijks buigt de Nationale DenkTank – een groep van twintig jonge, talentvolle mensen uit verschillende disciplines – zich over een maatschappelijk probleem om daarvoor praktische oplossingen te bedenken. In flankerende ‘mini-DenkTanks’ komen alumni van de DenkTanks bij elkaar om een deelonderwerp te bespreken. El Bouhassani en Vellekoop maken deel uit van de mini-DenkTank dat de studentenpopulatie van het mbo als onderwerp heeft. Zij zijn ook betrokken bij de organisatie van de eerste bijeenkomst van het Forum Beroepsonderwijs. Dit Forum is kort geleden opgericht om het beroepsonderwijs toekomstbestendig te maken en wil via bijeenkomsten in het land hiervoor handvatten verzamelen. Op de eerste bijeenkomst, die in oktober plaatsvindt, staan de verwachtingen en de behoeften van de toekomstige deelnemers aan het beroepsonderwijs centraal. Lees meer

Samen leren brengt dynamiek in de scholen

Samen leren brengt dynamiek in de scholen Steeds meer scholen ontwikkelen zich naar een Lerende Organisatie. Nu de zomer voorbij is en het nieuwe schooljaar is begonnen, is het een mooi moment om stil te staan bij wat is bereikt en welke stappen de school of het bestuur het komende schooljaar wil zetten in het leren van elkaar. School aan Zet sprak met Annemie Vullings van Dynamiek Scholengroep in Limburg. Dynamiek scholengroep bestaat uit drie clusters van in totaal twintig scholen voor basisonderwijs en een school voor speciaal basisonderwijs in de Limburgse gemeente Horst aan de Maas. Deze wijze van organisatie – waarbij ieder cluster verantwoordelijk is voor alle leerlingen binnen het cluster – is onder andere een gevolg van de demografische ontwikkelingen. Krimp heeft in de regio tot fusies en aanpassingen in het personeelsbestand geleid. “We gingen opnieuw nadenken over kwaliteit, over de manier waarop dit handen en voeten kan krijgen, ook met het oog op passend onderwijs”, vertelt Annemie Vullings, bovenschools ondersteuningscoördinator en stafmedewerker Onderwijskwaliteit bij Dynamiek Scholengroep. “We willen krachten bundelen, de kwaliteit die we in huis hebben benutten, samen leren van elkaar. Vorig schooljaar kwamen wij in aanraking met het project Samen Leren Inhoud Geven van School aan Zet, en dat sloot goed aan bij onze vraag: Hoe bereik je dat professionals leren van elkaar op de werkvloer?” Hoe zijn jullie aan de slag gegaan? “Wij zijn begonnen met de directeuren en intern begeleiders. Als zij ervaren wat ‘samen leren’ betekent voor de eigen ontwikkeling, kunnen zij het goed uitdragen naar de teams. Per cluster zijn er visitaties of collegiale consultaties uitgevoerd. De clusters hebben ieder hun eigen vragen, dus niet iedereen doet hetzelfde. Eén cluster heeft zich verdiept in ontwikkelingsvoorsprong, zij hebben bij collegiale visitaties, waarbij ook leraren en intern begeleiders waren betrokken, vooral op dat onderwerp ingezoomd. Bij een tweede cluster hebben er collegiale consultaties van de directeuren plaatsgevonden. Het derde cluster heeft ook visitaties uitgevoerd, maar dan steeds met de vraag van de school centraal. Deze deelpilot is vlak voor de zomervakantie afgesloten. School aan Zet heeft ons hierbij zowel inhoudelijk als procesmatig versterkt. We hebben bijvoorbeeld een studieochtend over rekenen georganiseerd voor de intern begeleiders van een cluster. Die maakte veel enthousiasme los. En een externe expert om het proces te begeleiden, helpt om de waan van de dag te kunnen loslaten.” Wat gaan jullie doen in het komende schooljaar? “Er lopen nog andere projecten, bijvoorbeeld een Leergroep Begrijpend Lezen. Ook hierin gaat het om expertise delen en zorgen dat het ‘landt’ in de scholen. In oktober is er een centrale bijeenkomst van alle pilots, daarin gaan we na wat de leergroepen zo effectief maakt en hoe we het organisatiebreed kunnen invoeren. Daar maken we een beleidsstuk van, zodat het goed geborgd wordt. Vervolgens willen we in 2015-2016 zoeken hoe we Samen Leren Inhoud Geven kunnen invoeren op het niveau van de teams. Het samen leren brengt dynamiek in de scholen, dus wij gaan er zeker mee door!” Dynamiek scholengroep is één van de 95 besturen die aan de slag zijn met de aanpak Samen Leren Inhoud Geven om zo (verder) te ontwikkelen naar een lerende organisatie. Onder deze besturen vallen in totaal 1072 PO- en SO-scholen die ook met deze aanpak aan het werk zijn. Zie ook schoolaanzet.nl/thematische inhoud

Pionieren met publiek-private samenwerking

Pionieren met publiek-private samenwerking “ROC’s en de hbo’s hebben belang bij voldoende goede stageplaatsen, gemeenten en provincies hebben belang bij een goede match op de arbeidsmarkt en ondernemers hebben excellent opgeleide technici nodig”, zegt Jan van Run, gedeputeerde Economische Zaken bij de provincie Noord-Holland en ‘Landsdeeltrekker Noordvleugel’. “Daarom is regionale samenwerking belangrijk.” Campus Omdat de arbeidsmarkt verschilt per regio, zijn er vijf ‘Landsdelen’ ingericht waar regionale samenwerking plaatsvindt. Naast de Noordvleugel – dat de provincies Noord-Holland, Utrecht en Flevoland omvat – zijn er ook landsdelen Noord, Oost, Zuidoost en Zuidwest. Van Run: “De samenwerking in de Noordvleugel heeft een eensluidende visie op de verdere ontwikkeling in deze regio opgeleverd. Die visie houdt in: keuzes maken. Met een campus brengen we het beroepsonderwijs en de regionale bedrijven rond een specialisatie bij elkaar. Zo ontstaat excellentie. Aansluitend bij Techniekpact 2020 en met middelen uit het Regionaal Investeringsfonds mbo hebben we inmiddels goed draaiende campussen opgetuigd, zoals Techport IJmond , Creatieve industrie in Amsterdam en Agritech rond het Clusius College in Noord-Holland. In Zaanstad zijn we al een eind op weg met procestechniek voeding en in Hilversum starten we een campus rond Media.” Centra Naast campussen spelen de Centres of Expertise (hbo-niveau) en Centra Innovatief Vakmanschap (mbo-niveau) een belangrijke rol in het realiseren van concrete samenwerking tussen ondernemers, onderwijs en overheid. Verhogen van onderwijskwaliteit, een bijdrage leveren aan het innovatievermogen van bedrijven en het vergroten van flexibiliteit op de arbeidsmarkt zijn de belangrijkste doelstellingen. Een van deze Centra of Expertise is het Utrechtse U CREATE, Centre of Expertise Creative Industries. Programmamanager Nathalie Waser vertelt: “Onze functie is om duurzame samenwerking tussen Hogeschool Utrecht, Hogeschool voor de Kunsten Utrecht, bedrijven en organisaties tot stand te brengen. Daarbij gaat het om talent- en kennisontwikkeling en het ontwikkelen van innovatieve en creatieve producten en diensten voor maatschappelijke vraagstukken.” Aansluitend op de cross-over ambities van de topsector Creatieve Industrie en de regionale thema’s van de Economic Board Utrecht – slim en gezond – brengt U CREATE zorg en welzijn en de creatieve industrie bij elkaar. Waser: “ U CREATE verbindt de hogescholen en andere onderzoeksorganisaties, zorgorganisaties en creatieve en technische bedrijven. Een mooi project dat wij gezamenlijk hebben uitgevoerd, gaat over kinderen met kanker. Door hun behandeling krijgen ze te weinig beweging en hun smaak gaat achteruit. Met inzichten vanuit de gedragswetenschappen en de creatieve bedrijven slagen we erin om eten en bewegen weer leuk en aantrekkelijk te maken.” Een ander succesvol traject is ‘de afstudeerrichting creatieve industrie bij Hogeschool Utrecht’. Hierin werken studenten vanuit verschillende disciplines (techniek, media, communicatie en economie) samen aan opdrachten van onder meer zorgorganisaties. Waser: “Veel creatieven beginnen een eigen onderneming. Dan is het goed als je iets afweet van bijvoorbeeld marketing.” Innovatie Het gaat bij de Centra om innovatieve trajecten. Pieter Moerman, programmaleider publiek-pivate samenwerking namens Platform Bèta Techniek: “We willen dat Nederland voorop blijft lopen in innovaties als robotica en high-tech. Er is veel kennis voorhanden bij allerlei instituten, maar het komt niet terecht bij de onderwijsinstellingen. Die verbinding maken we met de Centra.” Een ‘Centre’ bestaat uit meerdere innovatieve bedrijven en een of twee scholen. Het onderwijs profiteert onder meer doordat er nieuwe impulsen zijn in het curriculum. “Studenten kunnen bijvoorbeeld meedenken over innovatieve projecten van bedrijven. Dat is enorm aantrekkelijk. Daarnaast krijgt het onderzoek een impuls. Op hbo’s wordt al praktijkgericht onderzoek uitgevoerd als structureel onderdeel van de opleiding, het mbo kan hierin nog een slag maken. We gaan niet concurreren met commerciële onderzoeksbedrijven, dus we richten ons alleen op pre-competetief onderzoek. Vooral mkb-bedrijven die geen groot bedrag kunnen betalen maar wel een praktische vraag opgelost willen zien, maken hiervan gebruik.” Pionieren De uitdaging is nu om de regionale samenwerking tussen bedrijven, onderwijs en onderzoek te verduurzamen. Jan van Run: “Je hebt vertrouwen nodig, maar ook investeringen. Alle partijen moeten bijdragen. Daarnaast is het belangrijk om ‘techniek’ onder de aandacht te houden.” Nathalie Waser: “De Centre of Expertise zijn een nieuwe constructie. We pionieren. We zijn hard bezig om betaalde diensten te ontwikkelen waarmee we na de subsidieperiode verder kunnen, bijvoorbeeld door kennis om te zetten in betaalde workshops. Daarnaast moeten we voldoende toegevoegde waarde leveren voor onze partners, zodat ze ook op langere termijn willen blijven investeren in U CREATE. Het zal een gemengd model worden.”

Regionaal samenwerken aan innovatieve kracht

Regionaal samenwerken aan innovatieve kracht In de regio’s ligt een groot potentieel aan innovatieve kracht. In kleine bedrijven worden nieuwe technologische toepassingen ontwikkeld. Deze kracht moeten we mobiliseren en exploiteren, vindt Doekle Terpstra. Een gesprek met de aanjager van Techniekpact 2020. “Regionalisering beheerst alle agenda’s, het is een fenomeen dat zich overal aan het voltrekken is. Zowel de overheid als werkgevers en werknemers bevinden zich in een regionale context. Daar moet het gebeuren. Bij het midden- en kleinbedrijf is de potentie tot innovatie groot, en door het faciliteren van regionale samenwerking breng je het MKB in positie”, zegt Doekle Terpstra. Sinds 2014 heeft hij als ‘aanjager’ van het Nationaal Techniekpact 2020 de taak om partijen bij elkaar te brengen en te ondersteunen bij de uitvoering van het Techniekpact. Hij wordt daarbij ondersteund door het ministerie van Economische Zaken en het Platform Bèta Techniek. De regionale aanpak is een belangrijk element, de arbeidsmarkt is immers vaak een regionale aangelegenheid. Voor een goede aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt is de betrokkenheid van zowel scholen als het bedrijfsleven nodig. Waarom speciaal het MKB? Grote bedrijven hebben toch ook mensen nodig? “Natuurlijk zijn multinationals en grote bedrijven van eminente betekenis voor de Nederlandse economie en de werkgelegenheid. Maar de spelers op lokaal niveau hebben een andere innovatieve kracht. In de regio’s bevinden zich verborgen schatten en die moeten we meer laten zien. Denk aan de startups die zich vooral richten op toepassingen van de digitale media en social media, bijvoorbeeld Whatsapp. Het zijn vaak studenten uit het beroepsonderwijs die nieuwe toepassingen bedenken. Die innovatie is in de regio verankerd. Dat moet je benutten, dat draagt bij aan onze welvaart.” Is regionale samenwerking vooral een economisch verhaal? “Zeker niet. Versterking van de regionale kracht gaat samen met een belangrijke maatschappelijke ontwikkeling. De drie grote decentralisaties – Wet Maatschappelijke Ondersteuning, Zorg en Participatiewet – stimuleren de lokale bestuurders om hun ‘mindset’ te veranderen. Het gaat erom dat je aansluit bij wat er gebeurt. Niet van bovenaf opleggen, geen tekentafelbeleid, geen Haags verhaal. Dat is een andere vorm van regievoering. Het gaat erom dat we de lokale potentie ontdekken.” Hoe profiteert het onderwijs van de regionale samenwerking? “Doordat er betere oriëntatie op de arbeidsmarkt komt. Bijvoorbeeld: in Groningen zien we het thema ‘healthy aging’ opkomen. Dat is nieuw. Studenten moeten worden voorbereid op banen waarbij we ons nu nog niet veel kunnen voorstellen. Dat betekent dat je niet reactief naar de bestaande werkgelegenheid moet kijken, maar proactief naar de werkgelegenheid van de toekomst. Bij het ontwikkelen van het curriculum is het belangrijk om samen met het bedrijfsleven na te gaan wat de toekomstige arbeidsmarkt nodig heeft. Een tweede opbrengst is de betere beschikbaarheid van stageplekken. Een duurzame verbinding met het bedrijfsleven is daarvoor belangrijk. Programma’s als Toptechniek in bedrijf, Centres of expertise en Centra voor innovatief vakmanschap helpen daarbij.” Wat is de meerwaarde voor het bedrijfsleven? “De werkgever heeft behoefte aan mensen met de competenties om te werken in een snel veranderende omgeving. Het MKB heeft ook belang bij stagiaires, dat zijn de werknemers van de toekomst. Maar deze bedrijven zien vaak op tegen de ‘lasten’ ervan. Een student moet worden ingewerkt en heeft begeleiding nodig en intussen moeten wel de fietsen gerepareerd worden. De subsidieregeling Praktijkleren, één van de afspraken die is opgenomen in het Techniekpact, kan bedrijven hierbij ondersteunen. Daarnaast voeren scholen voor het bedrijfsleven steeds meer praktijkgericht onderzoek uit. Via lectoraten, en nu ook via de centra, vindt er vakinhoudelijk onderzoek plaats. De uitkomsten daarvan kan het MKB direct toepassen.’ Wat is het belang voor de overheden? “Een provinciale en een lokale overheid wil graag mee in de vaart der volkeren. Goede werkgelegenheid, goede infrastructuur, bedrijvigheid. Regionale samenwerking is wat dat betreft een tweesnijdend zwaard: de versterking van de lokale sociale maatschappelijke infrastructuur en de versterking van de economie.” Hoe kunnen we de aanpak verduurzamen? “Er is een dialoog gaande tussen bestuurders, politici en werkgevers. Techniekpact 2020 is geen doel op zich, maar een instrument om regionale samenwerking te versterken. Het belang overstijgt de 22 doelstellingen die we hebben vastgesteld. Het gaat niet meer om het behoud van bestaande banen, het gaat om het creëren van nieuwe. De techniek is daarbij de ruggengraat. Denk aan vraagstukken op het gebied van duurzaamheid, voedsel, zorg. Daarvoor is innovatie nodig in de breedste zin van het woord. Technologie moet massief op de agenda van de toekomst staan. De kracht van het Techniekpact is ‘doen’, geen bestuurlijk circus, maar juist regionaal een infrastructuur opzetten waar mensen elkaar kunnen vinden en gaan samenwerken. Samenwerken is het nieuwe concurreren. Ik pleit voor een Techniekpact 2.0.”

Schoolbesturen aan zet in de regio

Schoolbesturen aan zet in de regio Kinderen aanspreken op hun creatieve talenten en hun ontwikkeling verbinden met de regionale arbeidsmarkt. Dat is de ambitie van de regionale netwerken Wetenschap, Technologie en Excellentie Primair Onderwijs. Bij de interessante ontwikkelingen in Brabant en Limburg zijn de schoolbesturen aan zet, vertellen Ben Sanders, Harry Cornelissen en Tessa Timmermans. “Wij willen dat kinderen zich breed ontwikkelen, op allerlei gebieden”, zegt Ben Sanders, algemeen directeur van de Stichting Nutsscholen Breda. “Vroeger kwam een kind vanzelfsprekend in contact met techniek. In de dorpsstraat waren bedrijfjes gevestigd en iedereen kon zien wat daar gebeurde. Nu zijn technische bedrijven alleen te vinden op industrieterreinen. Kinderen die geboeid zijn door techniek, zien die interesse in hun eigen omgeving niet terug. De verbinding tot stand brengen tussen onderwijs en de wereld van de techniek, van onderzoek en ontwerp, dat is een belangrijke opdracht van de Stichting voor Wetenschap, Technologie en Excellentie.” Verbonden De Stichting Wetenschap, Technologie en Excellentie (WTE), een regionaal scholennetwerk in Brabant-Limburg, is in deze regio de uitvoerder van het programma ‘Kiezen voor Technologie’. Dit programma is gebaseerd op de afspraken binnen het Techniekpact 2020 en wordt namens OCW uitgevoerd door Platform Bèta Techniek. “We voeren een interactieve regie”, zegt Tessa Timmermans, projectleider van het Platform Bèta Techniek. “Anders dan bij voorgaande trajecten maken we nu samen plannen. De schoolbesturen zijn aan zet, zij formuleren eigen ambities, gebaseerd op de schoolbehoeftes en de behoeftes van de eigen regio. Wat wij doen is faciliteren, kennis delen tussen de regio’s en resultaten en knelpunten terugkoppelen naar het Ministerie van OCW.” Het Techniekpact en de onderwijsorganisaties leggen een duidelijke focus op 2020. “Hiervoor zag je een lappendeken aan programma’s”, zegt Harry Cornelissen, regionaal coördinator in regio Brabant-Limburg vanuit Platform Bèta Techniek en secretaris van WTE. “In dit traject zijn die programma’s met elkaar verbonden.” Zichtbaar Binnen Brabant-Limburg zijn acht subregio’s ingericht. Per subregio heeft een schoolbestuurder zitting in de Stichting WTE. “In de subregio’s worden eigen accenten gelegd. In Eindhoven werken we bijvoorbeeld samen met Brainport, in Limburg met Keyport en Limburg Economic Development”, zegt Harry Cornelissen. Platform Bèta Techniek is nodig om de goede voorbeelden zichtbaar te maken. Sanders: “Ondernemers die invloed hebben, kunnen een flinke beweging op gang brengen met scholen. Maar dat blijft meestal binnen het eigen netwerk. Schoolbesturen uit andere regio’s zien dat niet. In Eindhoven is bijvoorbeeld een ‘ontdekfabriek’. Daar kunnen scholen en ouders met kinderen onderzoeken en ontwerpen. Zo’n ontdekfabriek zou overal moeten staan.” Cornelissen vult aan: “Onderzoekend en ontwerpend leren is echt een fenomeen in het primair onderwijs. In Limburg kennen we techlabs. Kinderen van het primair en het voortgezet onderwijs kunnen hier experimenteren en producten maken.” Sanders: “We zien wel dat er in subregio’s met veel maakindustrie meer samenwerking ontstaat tussen onderwijs en bedrijfsleven dan op plekken waar de maakindustrie minder voorkomt.” Richting In het programma ‘Kiezen voor Technologie’ hebben de schoolbesturen een nadrukkelijke rol. Stichting WTE is geen nieuw netwerk, maar sluit aan bij de bestaande bestuurlijke netwerken en zet hier het onderwerp Wetenschap en Technologie op de agenda. Sanders: “ De bestuurlijke samenwerking op dit terrein zorgt ervoor dat we meer richting geven op onze scholen. Tegelijk kunnen we onze partners, zoals de provincie, de gemeente en het Platform, beter informeren over de behoefte van de scholen en de knelpunten die zich voordoen.” Bij de scholen ligt de nadruk op het ontwikkelen van talent. Sanders: “Als je zegt: deze leerlingen zijn onderzoekend en talentvol, dat komt nu niet voldoende uit de verf, dan zijn leraren geïnteresseerd.” Continuïteit De samenwerking met het bedrijfsleven kan versterkt worden, vindt Sanders. “Het bedrijfsleven in deze regio moet nog wennen aan het idee dat ze zelf positieve invloed kunnen uitoefenen op de instroom van goed opgeleide technici. Investeren in het primair onderwijs is helemaal lastig. Dat rendement zie je pas jaren later terug.” Dat betekent dat als de ondersteuning via het Platform stopt, de samenwerking tussen scholen en bedrijfsleven moeizamer tot stand zal komen. “Waar een krachtige samenwerking bestaat, zal het blijven, maar startende scholen en een aarzelend bedrijfsleven zullen elkaar niet gaan vinden”, zegt Sanders. “Er is ondersteuning van het netwerk nodig. Er moeten mensen zijn die het in stand houden, de website onderhouden, activiteiten

Training onderzoekend en ontwerpend leren

Training onderzoekend en ontwerpend leren Onderzoekend en ontwerpend leren is een didactische aanpak die uitgaat van een echte vraag. De bedoeling is dat leerlingen zo een professionele aanpak ontwikkelen. Leerlingen moeten niet meteen aan de slag, maar eerst nagaan wat ze precies moeten weten of uitzoeken voor ze aan de slag kunnen. Deelopdrachten helpen daarbij. “Voor ons is contact met scholen heel belangrijk”, vertelt Dré Schellekens, accountmanager bij Van Doren Engineers in Boekel en verantwoordelijk voor de personeelsbezetting. “Wij zijn bijvoorbeeld betrokken bij de techniekstroom op het Mondriaan College. We denken mee over opdrachten voor leerlingen, zoals een achtbaan ontwerpen of een sorteermachine. Het gaat bij ons vooral om het denkwerk, niet om de schroevendraaiers. Het is moeilijk om over te brengen wat techniek inhoudt en wat de beroepsrol kan zijn.” Beroepsbeeld Het is 11 februari 2015 en achttien docenten van scholen die deelnemen aan het M-Tech-programma wonen de eerste scholingsdag bij van het M-Tech-scholingsprogramma. De presentatie van Dré Schellekens vormt de opmaat van de didactische training ‘Projectopdrachten schrijven’. Projectonderwijs maakt het gemakkelijker om een ‘beroepsbeeld’ te schetsen, legt trainer en projectonderwijsspecialist Jos de Kleijn uit. “Als je drie of vier projecten per jaar uitvoert, komen de leerlingen in aanraking met een scala aan mogelijke beroepen. Ze zien dan heel specifiek wat een bepaald beroep kan inhouden.” Samenwerken met het bedrijfsleven is daarvoor belangrijk. Echte bedrijven leveren het meest realistische beeld. Sommige docenten vragen zich af of het bedrijfsleven wel op vmbo-t-leerlingen zit te wachten, zij vangen wel eens bot als ze een bedrijf proberen te benaderen. Maar een docent van het Leonardo College uit Leiden heeft andere ervaringen. “In Leiden werkt het Bio Science Park samen met scholen. Ook met de mavo. Maar je kunt beter niet als losse school een bedrijf benaderen, je kunt dat beter samen aanpakken.”

Scheldwoord ‘homo’ doet wel zeer

Scheldwoord ‘homo’ doet wel zeer Een sociaal veilig klimaat is nodig om goed te kunnen leren. Dat geldt voor alle leerlingen. Maar het geldt nog meer voor leerlingen die door hun seksuele voorkeur of genderidentiteit afwijken van de groep. Lees meer in Kader Primair 1 Begin juli werd het COC, de Nederlandse belangenvereniging van lesbische vrouwen, homoseksuele mannen, biseksuelen en transgenders, verrast door een donatie van 10 cent. Met als toelichting van de ouders van een jongen van 9 jaar: ‘Sorry voor het vreemde bedrag, maar dit is een ‘boete’ voor het gebruiken van het woord ‘homo’ als scheldwoord. Hij begrijpt ‘t overigens wel.’ ‘Homo’ is het meest gebruikte scheldwoord op straat en op school. Niet alle kinderen hebben ouders die hen leren seksuele verschillen te accepteren en hen een boete opleggen bij schelden. De school heeft hierin een taak. De meeste recente ‘Monitor sociale veiligheid in en rond scholen’ (2012) laat een negatieve trend zien: leerlingen met lesbische, homoseksuele en biseksuele gevoelens kregen tussen 2006 en 2010 steeds meer te maken met geweld, roddels, grappen en uitsluiting. Om de aandacht voor dit onderwerp op scholen te bevorderen en de sociale veiligheid van lesbische, homoseksuele, biseksuele en transgender leerlingen (LHBT’s) te verbeteren, zijn inmiddels de kerndoelen op het gebied van seksuele en genderdiversiteit aangepast. Samenhangend met de invoering van deze kerndoelen is in de afgelopen twee schooljaren op 132 scholen voor primair en voortgezet onderwijs de pilot ‘Sociale veiligheid LHBTjongeren op school’ uitgevoerd. De pilotscholen hebben met subsidie verschillende voorlichtings- en trainingsactiviteiten voor groepen 7 en 8 (primair onderwijs) en leerjaar 1 en 2 (voortgezet onderwijs) kunnen uitvoeren. Het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) publiceerde in mei van dit jaar een evaluatie van deze pilot. Uit het rapport blijkt dat er geen standaardrecept voor effectieve interventies bestaat. “Er hangt veel af van hoe een leraar iets aanpakt”, zegt SCP-onderzoeker Freek Bucx. “Discussie in de klas werkt bijvoorbeeld goed, maar alleen als leerlingen kwetsbaar durven zijn. Dan is het belangrijk dat de discussieleider veiligheid en vertrouwen kan creëren.” Er zijn wel een paar ‘succesfactoren’ voor goed LHBT-beleid. Zo moet de school, i.c. de schoolleider, inzicht hebben in het klimaat op de school. “Er zijn scholen die ontkennen dat er een probleem is, omdat zich nooit incidenten voordoen. Maar natuurlijk zijn er wel LHBTleerlingen en dat die nooit problemen hebben, is moeilijk voorstelbaar.”

Accountmanagers passend onderwijs staan dicht bij de samenwerkingsverbanden

Accountmanagers passend onderwijs staan dicht bij de samenwerkingsverbanden Zijn scholen op 1 augustus klaar voor de invoering van passend onderwijs? Ingrado Magazine sprak drie accountmanagers die vanuit het ministerie van OCW de samenwerkingsverbanden passend onderwijs bij de organisatie ondersteunen. Zij zijn optimistisch. De overgang naar de nieuwe situatie zal in de meeste regio’s soepel verlopen, verwachten Maartje Plattel, Hester de la Parra en Harm Scheepstra. ‘De verantwoordelijkheid om te regelen dat alle kinderen terechtkomen op een school die bij ze past, wordt met de Wet passend onderwijs neergelegd bij regionale samenwerkingsverbanden. Een samenwerkingsverband heeft een grote vrijheid om invulling te geven aan de wet. Maar er zijn wel vragen: wat zijn precies de kaders, waar vind ik kengetallen, zijn er regio’s waar goede voorbeelden zijn ontwikkeld, enzovoort. Die vragen beantwoorden, regelingen toelichten, dat is ons werk’, vertelt Maartje Plattel, een van de zeventien accountmanagers passend onderwijs van het ministerie van OCW. ‘Je bent ook een ingang bij het ministerie’, vult collega Hester de la Parra aan. ‘Als zich een probleem voordoet in een bepaalde regio, als er iets mist in de regelgeving, dan kun je dat meenemen en bespreken.  Zo kunnen de samenwerkingsverbanden het beleid beïnvloeden.’ Toen het wetsvoorstel nog in de maak was, moesten de ambtenaren vooral ‘tomaten en eieren opvangen’, zoals Harm Scheepstra het noemt. ‘Want het begon met bezuinigen. Dat zorgde voor veel onrust. Die bezuinigingen zijn nu gelukkig van de baan. Dat maakt het makkelijker om in het veld te vertellen wat de bedoeling is van passend onderwijs.’ Lees meer in Ingrado, juni/juli 2014

Jubileum Haagse Vrouwenzaken: Succes in Business

Jubileum Haagse Vrouwenzaken: Succes in Business Terugblik bijeenkomst  12 september  2013 – Jubileum Haagse Vrouwenzaken:  Succes in Business Ontvangst met prosecco en petit fours, oranje corsages, ballonnen en bloemen: Haagse Vrouwenzaken vierde haar tiende verjaardag en dat was te zien. Ruim dertig vrouwelijke ondernemers ontmoetten elkaar in een feestelijk versierde bovenzaal van Stadsherberg ’t Goude Hooft in de Haagse binnenstad.     “We gaan niet terugkijken, we kijken vooruit”, zei voorzitter Runilde Koebrugge in haar aftrap tot de avond. “We zijn business-vrouwen, we willen business met elkaar doen. We zijn hier vanavond om elkaar te ontmoeten, met elkaar te netwerken en als het kan ook zaken met elkaar te doen. Daarom ben je lid van HVZ!”       Ondernemerscoach Ditta van Vark legde vervolgens uit hoe je een potentiële klant het beste kunt verleiden je diensten of producten af te nemen. “Tachtig procent luisteren, twintig procent praten”, betoogde Ditta. “Als je goed begrijpt wat de klant bedoelt, kun je ook een aanbod doen dat past bij de klant.”                  Na de presentatie was het tijd voor de borrel, de maaltijd en het netwerken. Onder het eten en drinken werd er volop bijgepraat en kennisgemaakt en werden nieuwe plannen en ideeën besproken. Na afloop kregen de  aanwezigen de verzamelde  visitekaartjes van de deelnemers mee naar huis. Op naar het volgende jubileum!